donderdag 14 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Tjiftjaf

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen


Winterwaarneming tjiftjaf in de Dongevallei.


Tjiftjaf
Phylloscopus collybita - broedvogel


Onomatopee

De tjiftjaf behoort tot de ’geelbruine zangertjes’, een groep zangvogels met voornamelijk bruin, geel en soms wat groen in hun verenkleed. Ze leven tussen bladeren en twijgen, vaak hoog in struiken en bomen. Bij slecht licht en als ze minder goed in beeld komen, zijn deze op elkaar lijkende vogeltjes vaak moeilijk uit elkaar te houden. Door de combinatie van biotoop en zang is het echter een stuk eenvoudiger. Alleen het liedje horen is vaak al voldoende. De werkwijze van determineren op zang is dan ook een algemeen gebruikte methode bij kleine zomergasten! De zang van de tjiftjaf is een eenvoudig liedje. Ook mensen die niet ’vogelen’, hebben het zo door. Met wat fantasie hoor je de tjiftjaf steeds zijn naam roepen. Zo’n klanknabootsende naam noemen we een onomatopee. Naast de tjiftjaf zijn meerdere vogels genoemd naar het geluid dat ze maken. Een onophoudelijk ‘tjiftjaf tjiftjaf tjiftjaf’ klinkt het hele voorjaar door. Ook in de zomer schalt het door de lucht. Het geluid is zo algemeen dat het soms niet eens opvalt.


Meestal donkere poten

Er zijn wel uiterlijke verschillen met de meest op hem lijkende soort, de fitis. De tjiftjaf heeft een variabele kleur poot, maar meestal is deze donkerbruin of grijszwart. De wenkbrauwstreep is vaak nogal onduidelijk. Van beide kenmerken zijn variaties bekend bij tjiftjaffen die in andere gebieden voorkomen. Het is dus niet eenvoudig de tjiftjaf altijd op zicht op naam te brengen. Gewoonlijk ’luister’ ik alleen maar naar de tjiftjaf bij tellingen en broedvogelinventarisaties. Alleen bij de enkele winterwaarnemingen die ik ooit deed, volgde nader onderzoek. Om zeker te zijn!


Forse stijgingen en onverklaarbare inzinkingen

De tjiftjaf broedt in heel Nederland. Hoge dichtheden bereiken tjiftjaffen vooral in goed ontwikkelde loofbossen met veel ondergroei, vooral op de kleigronden. Het is ook een gewone broedvogel in tuinen, parken en singels in stedelijke gebieden en in bosjes op het platteland. Hij broedt eigenlijk overal waar wat bomen staan. Vanaf 1975 kon de tjiftjaf zich dan ook vestigen in de voorheen kale gebieden in het westen en noorden van ons land. Toegenomen verstedelijking en beplanting spelen daarbij een rol. Landelijk stijgen de aantallen al tientallen jaren. Soms zijn er forse en moeilijk verklaarbare inzinkingen. Ook in de Dongevallei is dat vastgesteld in 2013 en in 2018. Zie figuur 117. In 2013-2015 bestaat de Nederlandse populatie tjiftjaffen uit 350.000-550.000 broedparen. (bron: sovon.nl)











Figuur 117: alle waarnemingen (509) van tjiftjaffen per jaar met het totaal boven de kolom.



Blijvers nemen toe

De meeste Nederlandse broedvogels trekken na het broedseizoen weg om te overwinteren in Spanje, Portugal, rond de Middellandse Zee of in Noord-Afrika. In zachte winters bleven in de periode 1980-2000 enkele honderden tjiftjaffen in Nederland. Inmiddels zijn deze aantallen opgelopen tot 1.000-2.000. Waar ze vandaan komen, is niet duidelijk. (bron: sovon.nl.) Ook in België overwintert de tjiftjaf. In de Dongevallei is tweemaal een winterwaarneming genoteerd: op zondag 8 januari 2006 en op dinsdag 19 december 2017. Afhankelijk van het weer keert de tjiftjaf begin of half maart terug in ons land. Voorjaarstrek naar noordelijke streken houdt aan tot half mei, vooral aan de kust. In de Dongevallei wordt het merendeel van de eerste waarnemingen in de tweede helft van maart gedaan. De meeste waarnemingen worden in april geregistreerd. Zie figuur 118. Vooral in maart maar ook in een deel van april zijn daar uiteraard doortrekkers bij. Om doortrekkers van broedvogels te onderscheiden mogen volgens de richtlijnen van het BMP pas vanaf 10 april territoriumindicerende waarnemingen van tjiftjaffen worden genoteerd. Na juni neemt de zang af. Klaar met broeden trekt de tjiftjaf het gebied uit. In augustus zijn de eventueel nog aanwezige vogels stil vanwege de rui. In september is er een lichte opleving van onder andere jonge doortrekkende vogels, die ter plaatse hun eerste liedje oefenen.














Figuur 118: alle waarnemingen van tjiftjaffen per maand met het totaal boven de kolom.


Stijgende lijnen

De tjiftjaf is vooral een vogel van bosrijke gebieden. Maar ook groenstroken en tuinen met bomen en dichte ondergroei kiest hij uit als omgeving om te broeden. De tjiftjaf is meer een vogel van een bomenrijke omgeving dan de fitis. Hoewel men door beheer de openheid in de Dongevallei zo veel mogelijk tracht te behouden, zijn veel bomen blijven staan en nemen ze in volume en hoogte toe. De grafiek in figuur 117 laat zien dat de tjiftjaf daarvan profiteert. In totaal zijn 509 waarnemingen van de tjiftjaf vastgelegd. De stijgende lijn is duidelijk zichtbaar en ook de eerder beschreven inzinkingen in 2013 en 2018.



Die verschillende effecten zijn ook zichtbaar in de grafiek die de vastgestelde territoria laat zien in figuur 119. Opvallend is dat de daling in het aantal territoria (2016-2017) niet zichtbaar is in de totaalaantallen van beide jaren. Die zijn erg stabiel. Details van die jaren laten zien dat er wel verschuivingen zijn. Het aantal waarnemingen van half april tot half juni in 2016 en 2017 vallen lager uit maar in beide nazomers zijn meer tjiftjaffen waargenomen. In 2018 ontbreken die nazomer waarnemingen en dalen de territoria en de totaal aantallen waarnemingen verder. De stijgende lijn zet zich echter daarna weer door in 2019 en ook in 2020.






Figuur 119: alle vastgestelde territoria (85) van tjiftjaffen per jaar met het totaal boven de kolom.





Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



woensdag 13 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Zwartkop

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Met een voorkeur voor de boomrijke delen vestigde zich 11 territoria zwartkoppen in de Dongevallei in 2019.


Zwartkop
Sylvia atricapilla - broedvogel


Zwart of bruin petje

De zwartkop stamt uit hetzelfde geslacht (Sylvia) als de tuinfluiter en de grasmus en hij is even groot (14 cm). Het mannetje is voor het grootste deel in een grijs verenkleed gehuld. De onderzijde is wat lichter. Het vrouwtje heeft een meer grijsbruine kleur. Beide hebben onder de staart witte dekveren. De snavel is relatief groot en grijs getint, net als de poten. De naam dankt de vogel aan de glanzend zwarte kop van het mannetje. Het zwart lijkt een petje dat tot aan de ogen komt. Het vrouwtje heeft een roodbruin petje. Het is een grappig gezicht dit stel in het vroege voorjaar door de nog kale bomen te zien scharrelen. Later in het jaar is het een stuk moeilijker het zingende mannetje tussen het bladerdek te ontdekken. De zwartkop zingt niet tijdens de vlucht. Zijn liedje bestaat uit een mooie lijsterachtige zang met aan het einde heldere fluittonen.




Overwinteren of vroeg terug

De zwartkop is een Europese broedvogel die het hoge noorden mijdt. Hij behoort tot de zomervogels. De meeste zwartkoppen trekken weg in september en oktober. Ze brengen de winter door op het Iberisch schiereiland en in Noordwest-Afrika. Een kleine populatie (100-300) overwintert echter in Nederland, vooral in het westelijke deel van het land. In de winter leidt de zwartkop hier een teruggetrokken leven in ruime groenrijke wijken in stedelijk gebied. Vanaf begin april keert de zwartkop terug uit zijn overwinteringsgebied. Steeds vaker is hij er al eind maart. Hij is vooral een bosbewoner maar voelt zich ook thuis in gebieden met hogere bomen zoals houtwallen en oude tuinen. Doornstruiken, jonge bomen of hoge ruigtes zijn gewenst om het nest in te bouwen. De zwartkop is niet meer alleen een broedvogel van loofhoutbossen. Bosuitbreidingen en toename van braamvegetaties en ander struikgewas doen de soort floreren. De landelijke populatie broedvogels neemt al tientallen jaren toe. Hij is tegenwoordig een normale broedvogel in parken en grote oude tuinen. Het huidige bestand (2013-2015) bestaat uit 300.000-500.000 broedparen. Een enorm verschil met de 30.000-50.000 broedparen in de periode 1973-1977: een vertienvoudiging! (bron: sovon.nl)







Figuur 115: alle waarnemingen (146) van zwartkoppen per jaar met het totaal boven de kolom.


Het gaat goed met de zwartkop

Dat het met de landelijke populatie van de zwartkop goed gaat, is al in de vorige alinea duidelijk geworden. Als de plaatselijke omstandigheden gunstig zijn, neemt de lokale populatie toe. De toename van bomen en zelfs bosvorming in meerdere delen van de Dongevallei speelt de soort enorm in de kaart. Tot en met 2010 komt het aantal waarnemingen per jaar niet verder dan 3. De soort ontbreekt zelfs in 2006. Vanaf 2012 volgt duidelijk een stijgende lijn van het aantal waarnemingen met een spurt in het laatste teljaar 2019. Dan verdubbelt het aantal waarnemingen ten opzichte van 2018. Zie figuur 115.


Aantallen en territoria stijgen

Van zowel van de tjiftjaf als van de zwartkop blijven in toenemende mate individuen overwinteren in Nederland, van de zwartkop minder (100-300) dan van de tjiftjaf (1.000-2.000) in de periode 2013-2015. Van beide vogelsoorten is de herkomst van de wintervogels niet bekend. Van de tjiftjaf zijn 2 winterwaarnemingen vastgesteld in de Dongevallei. De zwartkop is in deze periode niet in de Dongevallei waargenomen. Alle waarnemingen vallen tussen begin april en half september. In totaal zijn 146 waarnemingen gedaan, aanzienlijk minder dan de 509 tjiftjaffen. Zoals te verwachten gaan de aantallen vastgestelde territoria op en neer met het aantal waargenomen individuen. Zie de aantallen vastgestelde territoria van de zwartkop in figuur 116.






Figuur 116: alle vastgestelde territoria (48) van zwartkoppen per jaar met het totaal boven de kolom.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



dinsdag 12 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Tuinfluiter

 

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Tuinfluiter
Sylvia borin - broedvogel

Verborgen zanger

De tuinfluiter is een grasmusachtige vogel uit het geslacht Sylvia, waartoe ook zwartkop, braamsluiper en grasmus behoren. Het is een niet zo grote (14 cm) maar een stevig gebouwde vogel. De bovendelen zijn bruingrijs en de onderdelen zijn grijswit met beige flanken zonder streeptekeningen. De poten zijn grijs en de snavel is vrij kort en stomp. Een beige, niet zo opvallende, oogstreep siert de kop. In de zijhals bevindt zich een duidelijke grijze vlek. Deze kenmerken zie je nauwelijks daar de tuinfluiter weinig vliegt en vooral door de vegetatie sluipt. Ook zingt hij niet tijdens het vliegen. De zang van de tuinfluiter is een aangenaam gebrabbel. Een Vlaamse bijnaam luidt dan ook ’babbelaartje’. Hoewel minder hard is de zang vergelijkbaar met een snel zingende merel. Deze heeft dezelfde warme klankkleur. Het onderscheid met het liedje van de zwartkop is vaak moeilijk. De zang van de tuinfluiter is warmer, gelijkmatiger en meestal langer.


Met een vijfde verminderd

De tuinfluiter is eind april uit Afrika terug en blijft tot half september in Nederland. Zowel in het voorjaar als in het najaar trekken veel tuinfluiters door Nederland op weg van en naar het overwinteringsgebied. Het is een broedvogel van jonge aanplant, moerasbos en kleinschalig boerenland met veel heggen. In de oudere bossen verblijft hij vooral aan de randen en langs verjongingsplekken. In de stad hebben tuinen en parken met dichte ondergroei de voorkeur. Hij is een pionier. De landelijke trend van de populatie van de tuinfluiter is negatief. In de periode van 1990-2015 is de populatie met een vijfde verminderd. De soort is afgenomen op de hoge zandgronden, met uitzondering van de beekdalen in o.a. Midden- en Noordoost-Brabant. In de grote bosgebieden lopen de aantallen ook terug door ander bosbeheer, weinig kapvlakten en het versneld dichtgroeien van vlakten door toegenomen neerslag van stikstof uit de atmosfeer. Over het algemeen wordt het bos te besloten voor een bospionier als de tuinfluiter. De huidige landelijke broedpopulatie is 80.000-140.000 paren. (bron: sovon.nl)







Figuur 113: alle waarnemingen (32) van tuinfluiters per jaar met het totaal boven de kolom.


Weinig waarnemingen

De tuinfluiter is niet zo vaak waargenomen in de Dongevallei. Tijdens negen teljaren zijn in totaal 32 exemplaren geteld, een erg laag aantal. Het is niet uit te sluiten dat de soort een aantal malen gemist is. De zang van de tuinfluiter is moeilijk van die van de zwartkop te onderscheiden en hij laat zich nauwelijks zien. De tuinfluiter is in de Dongevallei alleen van mei tot half juli gehoord. De aantallen liggen steeds laag, niet meer dan 1 of 2 exemplaren tegelijk. De tuinfluiter is niet erg vroeg in de dag actief; wel is hij de hele dag te horen. De top van het aantal waarnemingen in de Dongevallei valt van mei tot half juni. Daarna laten ze zich veel minder horen. In juli neemt de zang snel verder af en in het laatste deel van de maand zijn er geen waarnemingen meer. De tuinfluiter en andere zangvogels verminderen hun zangactiviteiten als er jongen zijn en besteden al hun energie aan het opvoeden. In de eerste teljaren zijn er maar enkele waarnemingen. Zie figuur 113.






Figuur 114: alle vastgestelde territoria (18) van tuinfluiters per jaar met het totaal boven de kolom.


Vanaf 2009 wordt hij, met wat schommelingen, redelijk stabiel zes jaren achtereen waargenomen. Daarna nemen de aantallen af. Pionierssituaties verminderen door het doorgroeien van bomen en struiken, waardoor het gebied minder interessant wordt voor de soort.


Territorium bepalen

De aantallen vastgestelde territoria gaan op en neer met de schommelingen van het aantal waargenomen tuinfluiters. Zie figuur 114. Er is maar één territoriumindicerende waarneming (zang) tussen 30 april en 30 juni nodig - rekening houdende met een fusieafstand van 200 meter - om een territorium te bepalen. Na 5 jaar onderbreking worden in 2019 weer 2 tuinfluiters gehoord en dat is meteen goed voor 2 territoria. Ook in 2020 is weer een territorium vastgesteld. Een fusieafstand wordt aangehouden bij het handmatig berekenen van een territorium als 2 zangposten zijn waargenomen maar niet beide naast elkaar (tegelijk) zijn gehoord. Met automatische clustering gaat dat vanzelf.



Biotoop tuinfluiter in de Dongevallei in teldeel 3, juli 2010.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



maandag 11 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Grasmus



   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen



Grasmus
Sylvia communis - broedvogel

’Krasmus’

De wetenschappelijke naam van de grasmus (Sylvia communis) staat voor ’algemene bosvogel’. De Nederlandse naam wijst naar een deel van zijn biotoop: grassen en kruidachtige planten. ‘Mus’ wordt voor diverse vogelsoorten gebruikt die een beetje lijken op een lid uit het geslacht mussen (Passer). Maar de grasmus is er in het geheel niet aan verwant. Hij heeft een bruine bovenzijde die contrasteert met de roestbruine vleugels met zwarte lijnen. Zowel het mannetje als het vrouwtje hebben een witte keel. Het mannetje onderscheidt zich door de grijze kop met witte oogring. Beide hebben vrij stevige geelbruine poten en ook een stevige snavel met een lichte basis. Een ezelsbruggetje om de karakteristieke snelle krassende zang van de grasmus met zijn hese rauwe klanken te onthouden is de fantasienaam ’krasmus’. De lengte van de grasmus (van staart tot snavel) is 13-15 cm, nagenoeg gelijk aan de lengte van de zwartkop.


Forse toename van grasmussen

De grasmus is een actieve vogel die op wisselende plaatsen zijn liedje laat horen. Meestal vanuit een struik voert hij zijn parachute-achtige baltsvluchten uit. Het is een zomervogel, die van april tot september in Nederland verblijft. Hij overwintert in het westelijke deel van de Sahel. De grasmus broedt zowel in natuurterreinen als in het boerenlandschap, als er maar ruigtes en liefst ook struiken aanwezig zijn. De grasmussenpopulatie – kwetsbaar als trekvogels zijn - stortte eind jaren zestig in na grote droogte in het overwinteringsgebied. In de periode 1984-2015 is de stand verviervoudigd en is nu (2013-2015) 120.00-200.000 broedparen. (bron: sovon.nl)




Figuur 111: alle waarnemingen (81) van grasmussen per jaar met het totaal boven de kolom.


Grasmus keert eerder terug

De eerder beschreven zomervogels - bosrietzanger, kleine karekiet en ook de spotvogel – verschijnen over het algemeen pas in mei in de Dongevallei. De grasmus komt gewoonlijk wat eerder terug. Half april arriveren al meerdere grasmussen, maar de meeste worden toch in mei en juni gehoord. Hoewel de grasmus wat meer zichtbaar is door zijn baltsgedrag, zijn de meeste waarnemingen ook bij deze soort op de zang gebaseerd. In juli en augustus zijn beide ouders druk met het grootbrengen van hun jongen en wordt er veel minder gezongen. In augustus is het stil, wat niet altijd wil zeggen dat de grasmus al helemaal verdwenen is. Hun bekende roep hoor je dan nog wel eens.






Figuur 112: alle vastgestelde territoria (34) van grasmussen per jaar met het totaal boven de kolom.


Afname door veranderingen in de Dongevallei

De staat van instandhouding (populatie, verspreiding, leefgebied, en toekomst) van de grasmus in Nederland wordt als gunstig omschreven. Dat de lokale situatie in de Dongevallei er toch anders uitziet, maakt de grafiek in figuur 111 zichtbaar. In het aanvankelijk open gebied met hier en daar wat struiken en jonge bomen doet de grasmus het erg goed. Hoge aantallen waarnemingen gaan gelijk op met hoge aantallen vastgestelde territoria. Zie figuur 112.


Hoewel de begroeiingen van aanzienlijke delen van de Dongevallei jaarlijks worden geklepeld, zijn veel bomen blijven staan. Plaatselijk kunnen die doorgroeien tot flinke hoogten. Bij het huidige beheer zal de grasmus waarschijnlijk niet verdwijnen, maar ook geen hogere aantallen kunnen bereiken. Het verschil tussen hoge en lage begroeiingen loopt steeds verder uiteen. Er zijn nauwelijks nog enkele meters hoge struiken of bomen waar de soort de voorkeur aan geeft. Daarbij is de openheid rondom de Dongevallei nagenoeg geheel verdwenen. De laatste jaren komt de bebouwing tot op heel korte afstand. De staat van instandhouding van de grasmus en andere struweelvogels in de Dongevallei is in de huidige situatie niet gunstig.



In het huidige beheer is er ruimte voor opgaande bomen, minder voor lage begroeiingen (struiken), zoals bovenstaande foto laat zien. Vogels als zwartkop en tjiftjaf profiteren daarvan. Voor struweelvogels, zoals grasmus en tuinfluiter, is het een medeoorzaak van de afname in de Dongevallei. Een tussenvorm in de beheersmaatregelen is voor meerdere vogelsoorten een gunstigere oplossing.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Braamsluiper

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Braamsluiper
Sylvia curruca


De braamsluiper leeft een tamelijk verborgen leven. Zijn aanwezigheid wordt voornamelijk door de zang vastgesteld: een droge, monotone ratel. De braamsluiper broedt in Nederland voornamelijk in duinstruwelen, kleinschalig cultuurland en stedelijk gebied. Het verenkleed van de braamsluiper heeft wel overeenkomsten met de grasmus. Beide hebben een grijze kop en een witte keel. De braamsluiper heeft een zwart masker en een blauwgrijze bovenkant. Hij is een zomervogel die overwintert in Oost-Afrika.


Toename in de duinen halverwege de vorige eeuw en afname in agrarisch landschap zijn voornamelijk veroorzaakt door ruilverkavelingen. Landelijke dichtheids-verschillen worden veroorzaakt door terreinbeheer. Braamsluipers verdwijnen daar waar struiken plaatsmaken voor bomen. Stedelijk gebied in Zuid-Nederland was in het verleden om onbekende reden veel meer in trek bij de braamsluiper dan nu. Mogelijk past de afbrokkelende verspreiding in Zuid-Nederland daar in, zoals ook de noordwaartse verschuiving van het broedareaal van de braamsluiper, wat in Engeland wordt gesuggereerd en waarvoor in Frankrijk aanwijzigingen zijn. De huidige populatie (2013-2015) bestaat uit 17.000-20.000 broedparen. In 1973-1977 waren dat 10.000-15.000 broedparen. (bron: sovon.nl)


Een zingende braamsluiper is op zaterdag 23 april 2011 gehoord in de Dongevallei. Deze eenmalige waarneming in het gebied is van een vogel die zijn trektocht even onderbreekt.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




















Een  gedurende de gehele tellingenreeks aanwezig beeld: De Schotse Hooglander.
 

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Spotvogel

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Spotvogel
Hippolais icterina - broedvogel


’Kakelutje’

De betekenis van het tweede deel van de wetenschappelijke naam van de spotvogel ’icterina’ is ’geelachtig’. Zijn imiteren van de zang van andere vogels wekt de indruk dat hij de spot drijft met die vogels. De vele imitaties komen ook naar voren in de Vlaamse naam ’zevenzanger’. Een andere bijnaam is het Brabantse ’kakelutje’, naar het karakteristieke geluid dat de spotvogel maakt. Naast de lange gevarieerde zang, gelardeerd met imitaties, klinkt er altijd meerdere keren het ‘njeeh njeeh njeeh’ doorheen. Dat laatste is hét kenmerk van de spotvogel. De spotvogel heeft groene of olijfgroene bovendelen met donkerdere vleugels en staart, heldergele onderdelen, een witte onderstaart en een gele wenkbrauwstreep. Bij het zingen zet het mannetje de kruinveren op. De snavel is vrij lang met een oranjeachtige basis en de poten zijn blauwgrijs.


Geelzucht

Het tweede deel van de wetenschappelijke naam heeft nog een betekenis. ’Icterina’ is verwant aan het Griekse ’ikteros’ dat geelzucht betekent. Hierdoor heeft de spotvogel vanouds de faam dat hij mensen van geelzucht kan genezen. Daarvoor zou men slechts naar de vogel hoeven te kijken (De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, Henk Blok e.a.,1995). De spotvogel komt voor in open loofbossen en op allerlei plaatsen waar vrij jong loofhout en struikgewas groeien, zoals in houtwallen. Maar ook tuinen en parken met oude bomen zijn gewild. Hij is een echte zomervogel, die van mei tot in augustus in Nederland verblijft. Deze insecteneter is het grootste deel van het jaar in zijn winterverblijf in het zuiden van Afrika, dat hij bereikt via de zuidoostelijke route door het zuiden van Europa.


Oorzaken afname is divers

Tijdens de eerste atlasperiode (1973-1977) is de spotvogel in bijna alle gebieden in Nederland aanwezig met 30.000-45.000 broedparen. Er zijn nauwelijks atlasblokken waar de soort ontbreekt. Daarna is het verspreidingsgebied met een vijfde verminderd en de aantallen broedparen zijn flink afgenomen, met de grootse daling tegen de eeuwwisseling. De huidige (2013-2015) landelijke stand is 10.000-15.000 broedparen. De veroudering van alle Nederlandse bossen is ongunstig voor de spotvogel. Ze zijn juist gebonden aan jonge bosstadia. Een deel van het verlies is vermoedelijk ook toe te schrijven aan het rooien en niet onderhouden van kleine landschapselementen. Of plaatselijke voedseltekorten de oorzaak zijn, is niet onderzocht (bron: sovon.nl). De algemene afname van insecten, de risico’s in de overwinteringsgebieden en ook het opschuiven van het broedareaal door klimaatveranderingen zijn waarschijnlijk allemaal zaken die hier meespelen.


                                     Figuur 109: alle waarnemingen (60) van spotvogels per jaar met het totaal boven de kolom.


Uit de verzamelde cijfers blijkt dat de landelijke afname van de spotvogel ook in de Dongevallei zichtbaar is. Zie figuur 109. De gestage afname gaat met flinke schommelingen gepaard. De aantallen vastgestelde territoria nemen parallel daaraan ook af. Zie figuur 110. De afname van de spotvogel is verder ook rondom en in Tilburg vastgesteld. Verheugend is wel dat hij hier en daar toch nog op verassende plaatsen opduikt. Het geheel ontbreken in de Dongevallei de laatste jaren heeft ook te maken met het wegvallen van geschikte terreinen grenzend aan het telgebied, zoals bij de bosrietzanger beschreven is.





Figuur 110; allevastgestelde territoria (32) van spotvogels per jaar met het totaal boven de kolom.


Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



zondag 10 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Kleine karekiet

 

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen


                      
Kleine karekiet
Acrocephalus scirpaceus - broedvogel


Nieuwsgierig vogeltje

De kleine karekiet is een kleine zomervogel die leeft in rietvelden maar ook daarbuiten zijn voedsel zoekt. Het nestje wordt meestal in het riet gebouwd. Het is een diep cilindervormig korfje, geweven rondom enkele rietstengels of soms in een vork van een struik, meestal een wilg. Het nest is opgebouwd uit gras- en rietstengels en bekleed met fijne materialen als plantenvezels en soms haren, wol en veren. De eieren, gewoonlijk 4, worden in 11 tot 12 dagen door beide ouders uitgebroed. ’s Nachts zit alleen het vrouwtje op de eieren. De jongen verlaten al vroeg het nest, na 10-12 dagen. Het duurt dan nog wel een week voordat ze kunnen vliegen. Ze worden nog 2 weken door de ouders verzorgd. Meestal is er één legsel per jaar, soms zijn het er twee. Het voedsel - allerlei insecten, spinnen en ongewervelden - vinden zie hier niet in de winter. Daarom overwinteren ze in de mangrovebossen van West-Afrika. De kleine karekiet is aan de bovenzijde egaal bruin en aan de onderzijde beigewit. Het is een nieuwsgierig vogeltje, niet schuw en meestal goed waar te nemen. Hij klimt behendig langs rietstengels en door overjarig riet.


Roep voortdurend zijn eigen naam

De kleine karekiet roept voortdurend zijn eigen naam. Het karre-karre-kiet klinkt eindeloos vanuit het riet. Soms schommelt hij, bewogen door de wind, in de top van een rietstengel op en neer, ondertussen onophoudelijk zijn lied zingend. Vanaf eind april tot in september is de kleine karekiet in Nederland aanwezig. Het aantal kleine karekieten is sinds de eerste broedvogelatlas (1973-1977) flink toegenomen en het verspreidingsgebied is groter geworden. Sinds de periode 1989-2000 zijn de dichtheden in verschillende regio’s gewijzigd maar het beeld blijft licht positief. De huidige broedpopulatie (2013-2015) bestaat uit 140.000-240.000 paren. (bron: sovon.nl)









Figuur 107: alle waarnemingen (76) van kleine karekieten per jaar met het totaal boven de kolom.


Broedt vaak op dezelfde plaatsen

De kleine karekiet is in Nederland vooral gebonden aan riet. Het is echter niet noodzakelijk dat er veel riet is, als de omgeving maar nat en ruig is. In de Dongevallei groeit op diverse plaatsen riet, maar nergens zijn het uitgestrekte velden. Het zijn vaste plekken van waaruit de zang klinkt. Van de stroken riet tussen de aan het water grenzende woningen van de Marlestraat (teldelen 1 & 2) is er altijd één en zijn er soms twee bezet in het broedseizoen. Verder is meerdere malen een territorium vastgesteld rondom de stuw, enkele tientallen meters zuidelijk van de Reuverlaan. Incidenteel zijn een viertal plaatsen met wat riet ten zuiden van de Reuverlaan bezet door een paar kleine karekieten. Tweemaal is de oostrand van het grote eiland noordelijk van de Reuverlaan verkozen om een broed-territorium te vestigen. Deze plekken grenzen aan het water maar er groeit nauwelijks riet. Aanvankelijk zijn de aantallen, op wat lichte schommelingen na, tamelijk stabiel. Zie figuur 107. Vanaf 2014 valt een aanhoudende daling op. In 2019 herstelt de populatie zich. Ook de aantallen territoria gaan in de bewegingen mee. Zie figuur 108.







Figuur 108: alle vastgestelde territoria (37) van kleine karekieten per jaar met het totaal boven de kolom.


Schommelingen

De schommelingen in aantallen hebben te maken met de geschiktheid van het gebied voor deze soort. Voedselaanbod en weersomstandigheden zijn belangrijke factoren voor de overleving van de jongen. Wanneer er bijvoorbeeld niet genoeg pissebedden, eendagsvliegen, slakken, vliegen en vlokreeften zijn, kunnen potentiële broedvogels overwegen een andere, meer geschikte plek te zoeken. Volgens onderzoeken, beschreven in ”Living on the edge” (Leo Zwarts e.a., 2008) zijn droogtes in de overwinteringsgebieden van de kleine karekiet niet van invloed op de West-Europese populatie kleine karekieten en veroorzaken dus geen schommelingen.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




Biotoop kleine karekiet in de Dongevallei 2006. 




De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Bosrietzanger

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen



Bosrietzanger
Acrocephalus palustris - broedvogel


Talrijke zangimitaties

De bosrietzanger is een zomervogel en heeft het formaat van de kleine karekiet (12,5 cm). Het verenkleed is vergelijkbaar: beide vogels hebben egaal bruine bovendelen en crèmekleurige onderdelen. Kleine onderscheidende details zijn het ontbreken van een oogstreep, een kortere snavel en een bollere kop bij de bosrietzanger. De zang geeft het meest duidelijk uitsluitsel. Het liedje van de bosrietzanger is zeer gevarieerd en bevat een groot aantal imitaties van andere vogels. Hij doet zowel vogels uit zijn Afrikaanse overwinteringsgebieden na als ook de vogels die hij tijdens zijn zomerverblijf ontmoet. Het ’karekiet-geroep’ van de kleine karekiet is soms ook in het liedje van de bosrietzanger te horen. Dat kan wel even tot verwarring leiden. In al zijn veelzijdigheid is het lied toch een eigen geluid van de bosrietzanger dat hem van andere vogelsoorten onderscheidt.


Van mei tot augustus

Nederland ligt aan de noordwestelijke verspreidingsgrens van de bosrietzanger. In het Verenigde Koninkrijk broeden momenteel nog geen 10 paren. De meeste bosrietzangers komen half mei in Nederland aan en verlaten ons al in augustus. Het is een kort verblijf waarin ze één legsel grootbrengen. Het grootste deel van het jaar verblijven ze in het overwinteringsgebied in het oosten van Afrika ten zuiden van de evenaar. Bosrietzangers broeden vooral in verruigde moerassen, brandnetelvelden en andere dichte ruigtevegetaties; vaak op natte kleigronden en plaatselijk doen ze het ook goed op de Brabantse zandgronden. De landelijke stand van de broedvogels in Nederland is sinds 1990 tamelijk stabiel op wat regionale verschillen na. De huidige stand (2013-2015) is 60.000-100.000 broedparen. Tijdens de eerste atlasperiode (1973-1977) broedden de meeste bosrietzangers in het oosten en zuiden van het land. Het aantal broedparen was toen veel lager: 15.000-22.500. (bron: sovon.nl)







Figuur 105: alle waarnemingen (25) van bosrietzangers per jaar met het totaal boven de kolom.


Afname door woningbouw

De bosrietzanger is maar korte tijd in Nederland en hij laat zich in die periode nauwelijks zien. Het determineren van de bosrietzanger komt vooral neer op het herkennen van zijn zang. De trend van zijn aanwezigheid in de Dongevallei is schommelend, maar aanvankelijk zit er een stijgende lijn in. Zie figuur 105. Deze wordt in 2015 abrupt afgebroken. Grenzend aan het zuidwesten van de Dongevallei liggen twee brede stroken braakliggende gronden. Delen hiervan worden soms afgezet, waarbij opschot van struiken en kleine bomen blijven staan. Deze stroken, maken regelmatig deel uit van het biotoop van de bosrietzanger en ook van de spotvogel en de grasmus. Deze vogelsoorten vestigden daar ook een territorium. In 2015 zijn deze stroken kort afgezet en bouwrijp gemaakt voor woningbouw. Dit heeft invloed op de aantallen territoria. In 2016 is een eenmalige waarneming voldoende voor het vaststellen van een territorium in het middendeel nabij de Reuverlaan. Daarna ontbreekt de soort. De oorzaak daarvan is niet helemaal duidelijk. Sommige delen (inclusief aangrenzende delen) zijn ongeschikt geworden, maar andere stukken lijken juist wel geschikt te zijn.







Figuur 106: alle vastgestelde territoria (19) van bosrietzangers per jaar met het totaal boven de kolom.


Meeste waarnemingen binnen datumgrenzen

Zoals ook landelijk vallen de meeste waarnemingen van de bosrietzanger in de Dongevallei van mei tot en met augustus. Slechts één waarneming tijdens de gehele reeks was in april, op zaterdag 25 april 2009. Het totaal aantal waarnemingen van de bosrietzanger is 25. Het aantal vastgestelde territoria bedraagt 19. Zie figuur 106. Deze getallen liggen niet ver uit elkaar. Eén zangwaarneming binnen de datumgrenzen 10 mei en 20 juli is voldoende voor het vaststellen van een territorium. De meeste waarnemingen vallen dan ook binnen de datumgrenzen.



Bosrietzanger 2012: 4 territoria in het zuidelijke deel.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


                                                     

vrijdag 8 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Grote lijster



   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Grote lijster
Turdus viscivorus


Droge ratel

Een grote, zwaar gebouwde lijster met lange vleugels, een lange staart en een zwaar golvende vlucht is het beeld van de grote lijster. De rug en de staart hebben bruingrijze tinten in verschillende nuances. De buitenste staartpennen zijn aan het einde wit, een typische uitzondering voor een lijster. De onderzijde is voor een groot deel wit met uitzondering van de geelwarme borst en flanken. De gehele onderzijde is afgezet met zwarte ronde vlekken, die naar het gelaat toe wat kleiner worden. De grote lijster laat al in februari een langgerekte, droge ratel horen. Hij is daardoor zeer herkenbaar. Vanaf hoge plaatsen, toppen van flinke bomen, zingt hij ook al vroeg zijn wat weemoedige lied. Behoorlijk luid draagt hij korte strofen met een warme volle stem voor met weinig verschil in toonhoogte.


Karig rondom Tilburg

Aan het begin van de 20e eeuw is de grote lijster een schaarse broedvogel in Nederland. Ruim een halve eeuw later nemen de aantallen en de verspreiding over het land toe. Rond 1995 is een gestage afname ingezet. Dat is o.a. het gevolg van de afname van voedselgebieden op de zandgronden door verdroging van graslanden en de opkomst van maisvelden. Het aantal landelijk vastgestelde broedparen in de periode 2013-2015 bedraagt 10.000-12.000. In de winter verblijven er 5.000-20.000 grote lijsters in ons land en tijdens de trekperiode 10.000-50.000. Ze melden zich al in februari, goed hoorbaar. (bron: sovon.nl) De grote lijster is in Tilburg als broedvogel en ook de rest van het jaar flink in aantallen afgenomen, is mijn ervaring. Hij is hier maar in lage aantallen aanwezig.






Figuur 104: alle waarnemingen (17) van grote lijsters per jaar met het totaal boven de kolom. Grote lijster.


Beperkt aantal waarnemingen in de Dongevallei

De grote lijster is in zeer beperkte aantallen waargenomen in de Dongevallei: slechts 17 waarnemingen, verspreid over negen teljaren. Zie figuur 104. Tijdens vijf jaren 1 exemplaar en van 2 tot 5 exemplaren in de overige vier jaren. De waarnemingen waren redelijk verspreid over de maanden van de verschillende jaren.



Reacties naar: adkolen@kpmail.nl



De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Koperwiek

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen



Koperwiek

Turdus iliacus


Gefrazel

De koperwiek en de zanglijster hebben gelijkenis met elkaar. Het formaat is bijna hetzelfde en de bovenzijde van beide soorten is bruin. De toch wel iets kleinere koperwiek valt vooral op door de witte oogstreep en de witte mondstreep. De naam koperwiek komt van de koperkleurige (roestbruine) veren onder de vleugels, die doorlopen tot op de flanken. De zanglijster heeft ook roestkleurige veren onder de vleugels. Die zijn echter lichter en alleen zichtbaar als hij vliegt.


De zang van de koperwiek wordt wel omschreven als ’gejammer’. Het bestaat uit steeds weer herhaalde klaagzinnetjes. Zijn liedje is weemoedig, een tweeledig zacht dalende reeks van zuiver gefloten tonen. Terugtrekkende koperwieken laten in maart en april al wat van hun liedje horen. Het gefrazel is een onverstaanbaar gemurmel en bestaat uit zachte geluidjes en een zacht geprevel.


Bovenmatige trekvogel

Waarnemingen een koperwiek in Nederland tussen half mei en begin september is zeldzaam. Hij broedt niet in ons land. Eind september of begin oktober verschijnen de eerste trekvogels. Half oktober trekken bij gunstige weersomstandigheden massaal koperwieken over. Ze trekken zowel langs de kust als door het binnenland en ook gedurende de dag en in de nacht. Naar schatting gaat het om 200.000-1.000.000 exemplaren (2008-2012). In het westen en zuiden van het land verblijven in de winter wat meer koperwieken. De winteraantallen variëren van 25.000 tot 100.000 exemplaren. (bron: sovon.nl)


Vrij schuwe vogel

De koperwiek is niet altijd goed te herkennen. Hij is vrij schuw en vindt zijn voedsel vaak op de bodem. Bij geringe verstoring vliegt hij al door de lage begroeiing weg. Meestal voordat je weet welke vogelsoort het is. Langdurige veldervaring is daarbij van betekenis. De vluchtroep die hij soms laat horen, een hoog langgerekt ’ziehh’, is behulpzaam bij de herkenning. De koperwiek is een onregelmatige wintergast in de Dongevallei. Zie figuur 103. Tijdens ongeveer de helft van de jaren van de tellingreeks is de koperwiek gezien. Van oktober tot half maart. In de helft van de jaren maar enkele exemplaren. Hij is in veel lagere aantallen aangetroffen dan de andere typisch wintergast de kramsvogel. Daarvan zijn er in totaal 299 exemplaren geregistreerd, van de koperwiek waren dat er 116. De meeste waarnemingen zijn laag van aantal, tussen 1 en 7 stuks. Daarnaast zijn nog groepen van 22, 12 en 2 van 18 koperwiek waargenomen.








Figuur 103: alle waarnemingen (116) van koperwieken per jaar met het totaal boven de kolom.







De schaarse waarnemingen van de koperwiek zijn gewoonlijk in de open delen van de Dongevallei. Het grote eiland noordelijk van de Reuverlaan was aanvankelijk één daarvan. Daar zijn in de eerste jaren van tellingenreeks Hollandse landgeiten ingezet om dit deel open te houden. De geiten leverden ook een aandeel in het bestrijden van de exoot het parelvederkruid.



Na de begin jaren van de tellingenreeks ontbreekt gerichte begrazing en worden dunningen al heel lang niet meer uitgevoerd. Het eiland is inmiddels dan ook nog nauwelijks begaanbaar. 



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl