maandag 10 oktober 2022

Vogelsenzo praatjes; Apen Kijken



Een penseelzwijn poseert op bestelling!



Ad Kolen


Het nabij Tilburg gelegen Safaripark Beekse Bergen was tientallen jaren onbekend terrein voor me. Voor de Vogelatlas (SOVON-2018) heb ik in 2015 een deel van de gegevens van Atlasblok 5028 verzameld. In de kilometerhokken 22-23 & 31-32 bevinden zich het Safaripark en het Recreatiepark Beekse Bergen. Door de gelegenheid meerdere malen vrij in het Safaripark rond te kunnen lopen raakte ik meer bekend met het gebied. Vanaf 2015 heb ik een jaarkaart en leg sommige dieren als fraaie fotomomenten vast. Ze verblijven in tamelijk ruime onderkomens, waardoor ze meestal met een tamelijk natuurlijk lijkende achtergrond vastgelegd kunnen worden. Een deel van de doelstellingen van de Beekse Bergen bevalt met wel zoals bedreigde en uitgestorven diersoorten in fokprogramma’s behoeden van helemaal verdwijnen. Tijdens enkele dagen per jaar, buiten de vakanties en de feestdagen loop ik er met mijn camera rond. Recentelijk ben ik ook met filmen begonnen. Op statief, met weinig wind en goed licht vallen de resultaten niet tegen.






Bedelende olifant!


Zo ook op een fraaie dag in de tweede helft van september. Eerst wat opnames geschoten van rustende blauwe gnoes en zebra’s met hun jongen. Ook de penseelzwijnen poseren op bestelling. De weersomstandigheden zijn zo goed dat ik probeer op de grote vlakte de olifanten en bavianen vast te leggen. Dat laatste is al een paar keer mislukt. Meerdere olifanten staan dicht bij het hek, te dicht eigenlijk om te fotografen of te filmen. Een beeld waar ik me aan aan erger kan ik wel vastleggen. Een grote volwassen olifant rijkt, vanuit de droge gracht met zijn slurf over de rij schrikdraden en bedelt om grassprietjes en blaadjes. Die worden gretig door meerdere mensen aangereikt. Als de meeste olifanten van het toneel verdwijnen, komen de bavianen in actie.






























Als de meeste olifanten van het toneel verdwijnen, komen de bavianen in actie.


Ze struinen ruziënd over de grote kale vlakte. Soms zijn er conflicten met veel gekrijs. Een groot mannetje bemoeit zich er dan even mee tot het rustig wordt. De apen ontdekken de meerdere grote drollen die de olifanten hebben achter gelaten. Naast elkaar, in kleine groepjes pluizen ze de drollen helemaal uit. Blijkbaar zijn er nog al wat onverteerde eetbare resten in overgebleven. Ze genieten er met zijn allen wel meer dan een kwartier van. Dan is er weer even tumult en verdwijnen alle bavianen uit beeld.






























Terug naar de ingang lopende kom ik langs het buitenverblijf van de chimpansees. Een onvolwassen chimpansee heeft flinke dotten houtwol uit het binnen verblijf met naar buiten genomen. De aap tracht er een nest van te bouwen. Eerst op de bodem later op een houten plateau. Hij is er heel speels mee en plaatst dotten houtwol op zijn kop. Die vallen er natuurlijk direct weer af, meerdere herhalingen van dit spel volgen.





Jonge chimpansee spelende met houtwol.



Eerder kon ik speelse activiteiten van deze chimpansees op mijn camera vast leggen. En ook zorgzaam gedrag van moeders met hun jongen heb ik gefotografeerd. Het lijken soms wel mensen! Volgens Steven Parker in ’Het ontstaan van de mens’ hebben we ergens in het verleden de zelfde voorouders. Maar nog zeker niet alles daarover is duidelijk, hoe de lijnen precies lopen. Volgens Frans de Waal in ’De Bonobo’ is moraal bij mensapen al ouder dan de mens. Een boeiend boek waarin het gedrag van bonobo’s en chimpansees diepgaande belicht wordt.





Jonge chimpansee oefent in het bouwen van een nest.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl





Spelende chimpansees.



woensdag 28 september 2022

Vogelsenzo praatjes; De koekoek

 




Ad Kolen



Hoe is het met de vogels of andere algemene vragen betreffende mijn activiteiten buitenshuis bereiken me soms op feestjes en tijdens toevallige ontmoetingen met bekenden. Of, raak je nou nooit uitgekeken op die vogels, vragen familieleden en kennis me wel eens. Dat zijn meestal geen momenten of locaties die zich lenen om uitvoerig op mijn beweegredenen in te gaan. Tijdens andere gelegenheden zoals wandelingen en excursies lukt dat vaak wel. Mijn drijfveren toelichten en mensen enthousiast maken voor de natuur in onze omgeving is ook een van de doelen van deze weblog. Het doet me goed als mensen gepassioneerd raken van de lokale natuur. Ondanks de afname van soorten en aantallen van onze flora en fauna is er nog veel moois in en om onze woonomgeving te beleven. Gelukkig dringt langzaam maar zeker door dat natuurbeleving een positief effect heeft op ons leven en dat natuurbehoud van levensbelang is.


Het is vooral de drang om dingen uit te zoeken wat me bezighoudt. Mijn interesse naar de achtergronden van mijn waarnemingen in de natuur is groot. Zo zag ik in augustus van dit jaar een koekoek tijdens een vogeltelling in de Dongevallei in Tilburg. Hoewel de soort niet meer algemeen is, zie en hoor ik wel vaker een koekoek. Het geluid, de bekende ’koekoek’ roep en de andere geluiden die ze maken, hoor je in augustus niet meer. De oudervogels vertrekken al in juni of juli naar Afrika. De koekoek verblijft de meeste maanden van het jaar dan ook buiten Nederland.


Dan wordt het interessant. Als de volwassen vogels al weg zijn moet het wel een jonge vogel zijn. Hoewel de waarneming van korte duur is toont het uiterlijk duidelijk dat het om een jong gaat dat nog niet zo lang geleden is uitgevlogen. De vogel is in een lage wilg boven een moerassig deel van het gebied wat onhandig bezig met een rups. Het moment is te kort om te zien hoe het afloopt. Al snel ziet de vogel mij en verdwijnt. De rups is er een met veel haren. Harige rupsen behoren tot het voedselpakket van de koekoek. Maar hoe weet dit jong, dat door kleinere vogels is opgevoed dat deze rupsen eetbaar zijn voor hem/haar. De meest voorkomende waadvogels van de koekoek in Nederland zijn kleine karekiet, graspieper, heggenmus, witte en gele kwikstaart en nog wat andere soorten. Dat zijn meest vogels niet vooral als ’rupseneters’ bekend staan. De jonge koekoek moet dus instinctief weten dat hij kan leven van dit soort voedsel.


Deze mooie, maar tamelijk korte waarneming roept meerdere vragen op. Als de ouders al zo vroeg naar hun overwinteringsgebied zijn vertrokken zijn hoe vinden de jongen dan hun weg, instinct? In het boek ’De koekoek’ beschrijft Nick Davies veel wetenswaardigheden van deze toch wat mysterieuze vogel. Hij heeft het uitvoerig over de historisch onderzoeken hoe men er achter is gekomen, wat nu heel bekend is, wat de koekoek als nestparasiet allemaal doet. En nog veel meer heeft hij op een goed leesbare manier neer gezet. Het is een zeer boeiende uitgave uit de reeks vogelmonografieën van Atlas Contact 2015 – ISBN 978 90 450 3007 4).


Maar het gaat verder, in veel vogelgidsen en andere literatuur staat vermeld dat de koekoek harige rupsen eet. Er staat vaak dat het een van de weinige vogelsoorten is die dat doet!


Naar de veel overlast bezorgende eikenprocessierups is recentelijk uitgebreid onderzoek gedaan. Het Kennisplatform processierups vermeldt dat koolmees, spreeuw, boomklever, specht, wielwaal, kauw, koekoek en vink in alle stadia processierupsen eten. In een jong stadium, zonder of met weinig haren worden ze ook door winterkoning, roodborst en boomkruiper gegeten.



Nee, ik kijk raak nooit uitgekeken op die vogels!




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




De eikenprocessierups 'in processie' op weg naar hun voedsel; jonge eikenbladeren.


zondag 25 september 2022

Vogelsenzo praatjes; LiveAtlas

 

Broedende torenvalk in het Noorderbos 7 april 2007.



Ad Kolen


Vanaf het eerste begin dat ik naar vogels kijk maak ik notities van mijn bevindingen. Aanvankelijk korte teksten met details voor de herkenning van de verschillende vogelsoorten. Vrij snel daarna noteer ook de waargenomen soorten. Talloze schriften en notitieboekjes heb ik volgeschreven en heel veel vogellijstjes zijn door mij ingevuld. Nog steeds leg ik zo veel mogelijk van mijn waarnemingen en ervaringen vast. Dat gaat soms nog in een boekje of op een vogellijst. Alle gegevens worden echter al vele jaren ingevoerd op mijn computer en in overzichtelijke bestanden geplaatst. Ook een flink deel van mijn schriftelijk vastgelegde waarnemingen zijn ondertussen digitaal verwerkt of gaan dat worden binnen niet al te lange tijd.


Aanvankelijk noteer ik alleen de vogelsoorten. Later zijn daar ook de aantallen, de bijzondere gedragingen en de omstandigheden bijgekomen. Bij het uitwerken van reeksen van tellingen blijken allerlei bijzonderheden van belang te zijn. Hoe meer details je vastlegt, hoe beter en gedetailleerd je excursies, tellingen en inventarisaties kunt beschrijven. Mijn persoonlijk ervaring is ook als ik het noteer het ook beter te onthouden is. Mijn aantekeningen, aanvankelijk nog pril en onervaren, gaan terug tot 1983. Al die verzamelde gegevens zijn bij elkaar een historisch, voornamelijk lokaal bestand van vogelsoorten en andere natuurlijke zaken die verdwenen of nieuw verschenen zijn. Jammer genoeg zijn niet altijd de aantallen vastgelegd. De waarnemingen van de laatste korhoenders in de Loonse en Drunense Duinen staan wel vermeld in mijn gegevens. Afnames van soorten als nachtegaal en zomertortel in onze omgeving liggen naast toenames van soorten als boomklever en cetti’szangers vast in mijn bestanden.


Vogelen is voor mij op de eerste plaats genieten van de vogels en de omgeving waar in ze leven. Diepere oorzaken en achtergronden van verschijnselen en het gedrag van vogels tracht ik steeds meer in beeld te brengen. Ook veranderende situaties in aantallen en de oorzaken daarvan zijn boeiend en wekken mijn interesse op.


Rond de eeuwwisseling ben ik begonnen aan reeksen jaartellingen en broedvogelinventarisaties in verschillende gebieden in de buurt; Noorderbos, Dongevallei en Quirijnstokpark. De toegevoegde meerwaarde daarvan is dat de broedvogelinventarisaties volgens de richtlijnen van het Broedvogel Monitoring Projecten (BMP) van Sovon worden uitgevoerd. Sovon gebruikt de gegevens van dit landelijk omvangrijke project voor het vaststellen van de aantalsontwikkelingen van alle broedvogelsoorten in Nederland. Naast het genieten is nuttig gebruik van de door mij verzamelde gegevens er dus bijgekomen. Wat ik toch wel belangrijk vind.


Na het uitkomen van de Vogelatlas in 2018 heeft Sovon het project LiveAtlas bedacht. De opzet is om de verspreidingsgegevens van alle vogelsoorten hiermee actueel te houden. Een uurtelling in een kilometerhok, zoals voor de Vogelatlas is uitgevoerd, is de basis van het geheel. In de praktijk zijn alle waarnemingen van vogelwandelingen welkom. Van zowel de aantallen vogels als van alleen de soorten vogels.


Hoewel ik het aanvankelijk het niet aantrekkelijk vond voer ik sinds 2020 al mijn vogelwaarnemingen in via de app Avimap van Sovon. Zowel alle gegevens van de jaartellingen als alle andere regelmatig of incidenteel uitgevoerde vogelrondjes. Gewend om alles in boekjes of op lijstjes te noteren duurde het even om de juiste manier te vinden het via de app te doen. Het leert snel echter. Maar met steeds mijn notitieboekje bij de hand om bijzonderheden vast te leggen! Het geeft me nog meer voldoening te weten dat al mijn waarnemingen nuttig gebruikt worden.


Tijdens een recente bijeenkomst van de lokale Vogelwerkgroep is het gebruik van LiveAtlas opnieuw ter sprake gekomen. Hoewel het werken met de app al eerder is toegelicht en er door meerdere mensen mee gewerkt wordt, is het niet voor iedereen duidelijk hoe het werkt. Via LiveAtlas | Sovon kun je uitgebreide informatie vinden over het project. Verder is het een kwestie van doen! Vraag een waarnemingscode aan op de site van Sovon Voor feiten over vogels | Sovon en ga aan de slag!


Leren vogelen is naast veel informatie vooraf lezen toch vooral een zaak van ervaringen op doen in het veld. De Vogelwerkgroepleden en andere belangstellenden kunnen individueel op verzoek tijdens een van mijn vogelronden meelopen. Naast het invoeren van de LiveAtlas in praktijk ervaar je ook hoe vogels te herkennen en te tellen. Geluiden zijn daarbij belangrijk, naast de zang zijn er allerlei andere klanken die vogels uitstoten waardoor ze opvallen.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



Mannelijke fazant.


maandag 19 september 2022

Terschelling



 

een eiland om te koesteren

tussen zeeën, duinen, planten en vogels


Ad Kolen



Zeekraal op de Noordsvaarder.


Een verslag van een week in de Terschellingse natuur


Na maandenlange mooie zomerse weersomstandigheden is een week regen in september de gelegenheid om dingen op een rijtje te zetten. Om te beseffen wat me allemaal heeft beziggehouden vanaf het voorjaar. Naast de broedvogelinventarisaties en mijn nestkastonderzoek was een week op Terschelling voor mij een van de hoogtepunten van het jaar.


Week 35 (28 augustus - 4 september) met alleen schoolvakanties in het zuiden en mogelijk nog een stukje zomer in het verschiet, blijkt een goede keuze te zijn. Zelfs de reisdagen op zondagen pakken goed uit omdat ik daarmee de treinstakingen bleek te vermijden. Dit is mijn vierde bezoek aan Terschelling. Twee ervan zijn in de vergetelheid geraakt, omdat ze tientallen jaren geleden plaatsvonden. De laatste keer was in 2017 met een groep van twintig natuurminnende personen.

 

Het vaak door mij bezochte Waddeneiland Texel was veruit mijn favoriete eiland. Het is vanuit Brabant snel te bereiken. Zelfs op één dag op en neer is te doen. Naast allerlei toeristische attracties is op Texel veel aandacht voor de natuur. In steeds meer gebieden zijn vogels en andere mooie zaken van dichtbij te bewonderen. Maar nu is daar Terschelling. Door de bijna twee uur durende overtocht en de beperkte breedte van het eiland domineert op Terschelling altijd het eilandgevoel. Natuur en rust voeren hier de boventoon. En zowel de heen- als de terugreis is een belevenis. Met zon en behoorlijk wat wind is het heerlijk zeilweer. De vele grote en kleine zeilschepen om ons heen vormen een prachtig schouwspel.




Terschelling is vanuit het westen gezien na Texel en Vlieland het derde eiland. Texel is met 20 km bij 8 km het grootste Waddeneiland. De lengte van Terschelling is ongeveer 30 km en het is ten hoogste 4,5 km breed. West-Terschelling, waar de veerboot aanmeert, is met 2700 inwoners het grootste dorp. Verder zijn er West aan Zee, Formerum, Lies, Midsland, Hoorn, het meest oostelijke dorp Oosterend en nog een aantal kleine dorpjes. In totaal wonen er bijna 5000 mensen op Terschelling. Terschelling behoort tot de provincie Friesland. 


Met temperaturen in Brabant die de 25°C. ruim overstijgen is het op Terschelling met 20-22°C. net even iets aangenamer om actief bezig te zijn. De altijd aanwezige wind (4-5) heb ik deze keer beteugeld met een elektrische fiets. Wel zo aangenaam als je het hele eiland wilt doorkruisen. De droogte is ook hier zichtbaar, maar niet overal. In sommige lage delen van de duinen staat nog water, zo ook in diverse duinmeertjes. Het besef hoe belangrijk het is om water vast te houden, is hier zichtbaar doorgedrongen. Enkele vaarten die dwars op de verbindingswegen staan en leiden naar gemalen langs de Waddenzee, bevatten nog volop water. In de Boschplaat en in de binnenduinen nabij de Noordsvaarder worden sloten deels gedempt.



                                                                                                                                                                                                                                                                                 Midsland, het midden van het eiland.


Mijn verblijfsplaats deze week is B&B De Wadvaarder in Midsland, een prima plek met een goed ontbijt. Midsland, zoals de naam al zegt, ligt ongeveer in het midden van het bewoonde deel van het eiland. Het is een mooi dorp met een rijke geschiedenis. De hoofdstraat, Oosterburen, met vele historische panden is echter overspoeld door vele toeristische voorzieningen. Daaronder bevinden zich wel diverse goede eetgelegenheden en een supermarkt.

 

Na het huren van een fiets gaat de eerste verkenningstocht naar West-Terschelling. Onderweg vallen de talrijke goudplevieren natuurlijk direct op. Even stilstaan om ze te bewonderen is onvermijdelijk voor een vogelaar. De verenkleden van de individuele vogels verschillen nogal. Met meer of minder zwarte veren op buik, borst en het gelaat zijn ze vaak deels, of soms nog geheel, in zomerkleed gehuld. Het zomerkleed doet met veel zwart een beetje deftig aan. In het goudgele winterkleed, samen met de korte donkere snavel, lijken ze kleiner, vriendelijker en vooral de jongen wat popperig. De tocht gaat door naar West-Terschelling. Even in de haven langs de aangemeerde boten struinen, dat blijft me trekken!


 

Goudplevieren in de vlucht.

Later vanaf een hoogte genoten van een weidse blik over de uitgestrekte vlakte van de Noordsvaarder. Het maakt me bewust van de plek waar ik ben De Noordsvaarder is het westelijke deel van Terschelling. Het was ooit een grote zandplaat, die steeds naar het oosten opschoof en door verzanding van het Westerboomgat in het eiland vastgroeide. In het dorp het Natuurmuseum met zeeaquarium bezocht. Niet meer dan een uur echter; het is buiten te aangenaam om lang binnen te blijven. De weg terug langs de Waddenzee, met laag water, biedt volop gelegenheid om te vogelen: er zijn grote aantallen foeragerende steltlopers.


 

   Het uiterlijk en het gebruik van de polders van Terschelling is divers; van extensief gebruikt en soms bloemenrijk grasland


De tweede dag gaat het door de polders, gelegen aan de zuidkant van het eiland. Ze grenzen aan de Waddenzee. In de lengte van dit voornamelijk uit weilanden bestaande gebied loopt een brede zandweg. Daarvandaan is goed te zien hoe het gebied gebruikt wordt. De weilanden zijn zeer verschillend. Graslanden met afwateringsrelicten en andere oneffenheden, en de aanwezigheid van vele plantensoorten springen in het oog. Maar door geëgaliseerde raaigrasvelden met de geur en sporen van mestinjecties waan ik me even in Brabant. Ook een weiland met heel veel koeien komt me bekend voor. Diverse tussenvormen neigen naar meer milieuvriendelijk, misschien wel extensief gebruik. Samen met een paar wielen, de water bevattende sloten en enkele zeer bloemrijke graslanden is het een waardevolle omgeving. Naar het oosten fietsend verlaat ik een voor Nederland toch wel uniek gebied.


tot ook wat intensieve melkveehouderij.

Mooie herinneringen heb ik aan het gebied waarin ik nu terechtkom, de Boschplaat. Dit ruige gebied, bestaande uit brede stranden, afwisselende duinen, een uitgestrekt kweldergebied en een natuurlijk bos, omvat de oostelijke helft van het eiland. De werkzaamheden in het gebied en het verkeer van SBB (Staatsbosbeheer) hebben de zandpaden er niet beter op gemaakt. Maar het lukt met toch de punt van eiland te bereiken. Het zicht op de brede stranden en prachtige duinvalleien geven voldoening na deze stevige fietstocht. Vanaf het duin waar de vogelwachtershut staat, bekijk ik dit ruige gebied. Veel vogels, buiten de tientallen tapuiten en wat trekkers als roodborsttapuit, zwarte roodstaart en bonte vliegenvanger, zie ik niet. Maar uitkijkende vanaf een duintop zijn mijn gedachten in een constante verwondering over en bewondering voor deze omgeving.


             De Boschplaat.


De woensdag wordt een topdag door met Piet Zumkehr, een lokale natuurvorser, op pad te gaan. Piet kwam in 1980 als medewerker van Staatsbosbeheer op Terschelling terecht en is er sindsdien blijven wonen en werken. Door zijn brede interesse heeft hij in veertig jaar aan veldbiologisch onderzoek een grote deskundigheid opgebouwd op het gebied van de natuur op de Waddeneilanden. Van vogels en planten tot nachtvlinders. 






Vals muizenoor (Piolosella peleteriana).


Hij is bovendien een enthousiaste verteller. Dat blijkt als we op de fiets gebieden bezoeken waar recentelijk herstelprojecten zijn uitgevoerd. Over bijzondere planten als vlottende bies, ondergedoken moerasscherm, vals muizenoor, stijve moerasweegbree en bezemdopheide verhaalt hij uitvoerig. Op een nog kale geplagde bodem staan kleine en ronde zonnedauw naast elkaar. Het goed zichtbare verschil ligt nu in mijn geheugen verankerd. 



Bezemdopheide (Erica scoparia).
Waarvan zaden tijdens wapentransporten in de Tweede Wereldoorlog uit Frankrijk of Spanje zijn meegekomen.


De duinenrijen die we vanaf het pad aanschouwen, zetten Piet ertoe aan er in detail over uit te weiden. Paraboolduinen, aangelegde en verplaatste duinen als maatregel om verstuivingen op gang te brengen zijn zaken die hij laat zien en uitgebreid belicht. Na een doorkabbelende stroom aan natuurinformatie en andere wetenswaardige feiten sluiten we af met een bezoekje aan de Hoorner (eenden)kooi.





Een voormalige visser herstelt de netten van een collega garnalenvisser in de haven van West-Terschelling.


De volgende dag fiets ik vanaf West-Terschelling langs de Waddenzee naar het oosten. Een blik in de haven leidt tot een geanimeerd gesprek met een oude visser. Hij herstelt het net van een garnalenkotter. Even buiten West-Terschelling foerageren zwarte ruiters in een dun laagje water met zand als ondergrond. Even later strijken vijf steenlopers neer en zoeken op dezelfde plaats naar voedsel. 



Steenlopers op de dijk.


Gewoonlijk foerageren steenlopers tussen de stenen van dijken. Hoewel het hoog water is, zijn er talrijke plekken waar zich vogels concentreren op dijken en stukjes buitendijks land. Talrijk zijn de eider, wulp, kieviet, aalscholver, rosse grutto naast de verschillende meeuwensoorten en andere, vooral kleine, steltlopers.





Zwarte ruiter.


Uiteindelijk kom ik weer bij de Boschplaat uit. Terschelling heeft in totaal zeven eendenkooien waarvan er hier vier langs de Waddenzee liggen. Omdat dit deel wel eens overstroomt, hebben deze kooien elk een eigen omdijking. Helaas zijn deze allemaal in particulier eigendom en niet toegankelijk. De omgeving doet erg desolaat aan. Een bijzonder landschap onder invloed van de Waddenzee die er wel eens ver instroomt. De zandwegen zijn van los zand, de graslanden droog en kaal. Enkele tapuiten en een groepje putters fleuren het geheel een beetje op. De kooiker die ik ontmoet, is nukkig en zegt dat ik van zijn bramen af moet blijven. Het pad buigt af door een golvend duinengebied, waar een open berkenbos wordt afgewisseld met halfopen stukken duin met soms cranberry’s en veel struikheide.





Het desolate landschap rondom de eendenkooien op de Boschplaat.


Op vrijdag struin ik de bossen van het eiland af, voornamelijk het Hoornse bos. Hoewel de bossen op de Waddeneiland niet erg soortenrijk en vrij arm zijn, zoek ik ze toch altijd even op. Ze hebben wel iets! De golvende heuvels met Oostenrijkse of Corsicaanse dennen geven toch een bijzondere aanblik. Vaak zijn deze bossen, zoals ook hier op Terschelling, vrij open en is er afwisseling. Op veel plaatsen staan ook zeedennen. 




Het Hoornse bos.


Maar er zijn ook delen met eiken en zelfs beuken. In deze periode, kort na het broedseizoen en nog voor de vogeltrek echt op gang komt, is het aantal vogelsoorten niet groot. Grote bonte specht en boomkruiper zijn hier wel goed vertegenwoordigd. Ook bonte vliegenvanger, zwarte mees, vink en groenling kom ik vandaag meerdere malen tegen op verschillende locaties. De boomklever heb ik hier nog niet gezien.



Een van de groenpootruiters in Hedredersplak in het Hoornse bos.


Verrassende waarnemingen doe ik op een open plek in het bos met een flinke opdrogende plas, de Hedredersplak. Er staat nog een dun laagje water, wat een goede foerageerplek voor groenpootruiters blijkt te zijn. Ondanks verstoringen door passerende wandelaars komen ze steeds terug. Het lukt me dan ook ze, met een watersnip en een tapuit, op de foto te zetten. Een sperwer is me echter te snel af.





Een watersnip en een groenpootruiter in Hedredersplak in het Hoornse bos.


Door een prachtig begroeid duingebied, de Koegelwieck, verplaats ik me naar het volgende bosperceel. Ook hier moet ik regelmatig ’klunen’ over de zanderige smalle paden, maar kan ondertussen van de talrijk bloeiende heide genieten.




De Noordsvaarder.


De laatste hele dag op het eiland is er ook een met een edelmetalen randje. Vanaf West-Terschelling is de Noordsvaarder een grootse zandvlakte. Veerboten, zeilschepen en kitesurfers bewegen op de achtergrond. Dichterbij beroeren meeuwen en kleine steltlopers de ondiepe waterpartijen. Naar rechts lopend wordt het rustiger, een enkele pluk zeekraal steekt door het zand. Kleine hoopjes vergruisde schelpen (braakballen) zijn tekenen van rustplaatsen van meeuwen en mogelijk andere schelpen etende vogels. Vanaf het open, aan het water liggende deel van de Noordsvaarder loop ik richting het binnenland, waar de begroeiing toeneemt. Geweldig is het om al die zoutminnende plantjes weer te zien. Zeeaster, melkkruid, lamsoor, rode ogentroost, strandduizendguldenkruid, blauwe zeedistel en zeekool zijn bekende die ik ook op andere Waddeneilanden en de kusten van Zeeland zag.




Blauwe zeedistel.


Ik fiets op tijd terug om in de schaduwrijke tuin van de B&B wat verzamelde gegevens te verwerken. Tussen een moerbeiboom, een vijg, een kiwi, een Weymouthden, hulst en een berk scharrelen diverse vlinders rond. De citroenvlinder, bont zandoogje, groot koolwitje en veel atalanta’s komen af op de talrijk bloeiende bloemen die hier staan. Een mooie plek om al mijmerend te beseffen dat ik morgen weer terug naar Brabant ga.





De schaduw- en bomenrijke tuin van B&B  De Wadvaarder in Midsland met veel bloemen en vlinders.


De terugreis met de boot is nog meer een feestje dan de trip ernaartoe. Veel zeilschepen varen en passeren in dezelfde vaargeul. Soms worden ze door de kapitein met getoeter gewaarschuwd als ze te dicht in de buurt komen. Tijdens de overtocht zie ik even de kop van een zeehond boven water; er wordt er nog één gezien door een medepassagier!





De tapuit is een vaak gezien deze week, naast 40 broedparen zijn dat ook doortrekkende vogels.


Verder reizend met de trein overdenk ik het verblijf deze week op Terschelling. Het was heel anders dan vijf jaar geleden; dat was halverwege de maand oktober. Nu is het echt nog zomer met nauwelijks aanwezige trekvogels die hier een tussenstop maken. In tegenstelling tot de vorige keer zag ik maar weinig ganzen. Wat grauwe ganzen - niet veel - hoogstens enkele honderden, een laag aantal nijlganzen, enkele soepganzen en een brandgans; dat was alles. De eerste dagen heel veel goudplevieren gezien, later wat minder. Minder vogelsoorten (71) en minder aantallen gezien, maar enorm genoten van diverse zeer mooie waarnemingen. Ook de gelegenheid en de tijd genomen om een aantal vogels goed te fotograferen. Intens van het landschap genoten en het goed in me kunnen opnemen, mede door de dag met Piet. Het vroegere tijdstip is goed om wat meer naar planten te kijken. Kortom: tijdens deze geweldige week met zeer aangename weersomstandigheden heb ik Terschelling opnieuw goed leren kennen. Ik ga weer voor dit bijzondere eiland. Het is een stuk Nederland om te koesteren.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl






Over het eiland is een vogelroute uitgezet aan de hand van duidelijke silhouetten van vogels, zoals deze veldleeuwerik.





maandag 20 juni 2022

Roeken in Tilburg Noord


Maart 2022:
Roeken vestigen zich in Tilburg Noord



Ad Kolen

Gedurende de jaarlijkse drukte van een vogelaar in het broedseizoen, zoals broedvogels inventariseren en broedperikelen van vogels in nestkasten volgen, doe ik dit jaar een verassende ontdekking. Een broedkolonie roeken is zich aan het vestigingen in Tilburg Noord. Nabij het hart van de wijk, het Wagnerplein. Tijdens een ’Zondagochtendrondje in Tilburg Noord’ passeer ik naast parken en andere groene delen van het stadsdeel een straat met flats enerzijds en eengezinswoningen anderzijds. De omgeving, de Frans Litszstraat is beplant met moeraseiken. Die zijn er in de eerste jaren van de bouw van Tilburg Noord neer gezet en al circa 60 jaar oud.











                                  

 Een deel van de nieuw gevestigde roekenkolonie in de Frans Litszstraat.         

Deze gigantische bomen steken ruim boven de huizen uit. Roeken prefereren bomen van 15-25 hoog om in te broeden. De keuze is dus niet zomaar op deze plek gevallen. De kauw, vaak een vaste partner van de roek tijdens foerageersessies en soms ook als gezamenlijke broedvogel komt in deze omgeving al vele jaren het jaarrond voor, ook als broedvogel. De gedachte van een samenloop van gunstige omstandigheden komt dan bij mij op. De hoge bomen, de aanwezigheid van kauwen en een enorm aanbod van veel takken voor het bouwen van nesten door de recente hevige stormen, zijn positieve elementen daarin.


De afstand naar het buitengebied is circa 1,5 km. Blijkbaar is dat een acceptabele afstand om voldoende voedsel te kunnen vergaren voor het opgroeien van de jongen. Roeken foerageren veruit het meest op vochtige, door melkvee begraasde en/of bemeste graslanden en op (net bewerkt) akkerland. Op deze percelen vindt de roek vrijwel het hele jaar ongewervelden. Voornamelijk in het voorjaar en in het begin van de zomer is de behoefte aan deze terreinen zeer sterk, aangezien de jongen vrijwel geheel gevoed worden met dierlijk voedsel dat in de bodem wordt gevonden.


Op zondag 13 maart van dit jaar heb ik de eerste bouwsels van de roeken aangetroffen in de Frans Litszstraat en een klein deel van de aangrenzende Haydnstraat. In de toppen van de hoge bomen zijn 2 nesten bezet en aan 12 nesten wordt gebouwd. Op een 2e telsessie, op 9 april 2022, zijn in totaal 37 bezette nesten vastgesteld. Juist voor het aangroeien van de bladeren aan de bomen is het aantal nesten nog goed te beoordelen. Later is dat niet meer met zekerheid te doen. Van een 3e controle op 17 juni 2022 zijn de resultaten pover, de nesten zijn nauwelijks zichtbaar en van activiteiten is geen sprake meer. Waarschijnlijk zijn alle jonge vogels al uitgevlogen en is de kolonie verlaten. Vaak worden kolonies buiten het broedseizoen ook regelmatig bezocht. Ik ga dat zeker ook in de gaten houden als de boom weer kaal worden. Wie weet is het een ’langdurige kwestie’.





























Even voor de duidelijkheid roeken en kauwen zijn twee van de vier ’zwarte kraaiachtigen’ die onze omgeving bevolken. De roek is groot met een geheel zwart verenkleed zoals de zwarte kraai. Een duidelijk zichtbaar verschil is de snavel die vooral aan de basis licht is. De wigvormige staart en de afhangende dijveren van de roek onderscheiden hen ook van elkaar. De roep van de roek is lager dan het trage ’kraa kraa’ van de zwarte kraai en het is vaak ook nasaal. Op enige afstand lijkt het alsof de zwarte kraai een geheel zwart verenkleed heeft. Dat is niet zo, van dichtbij vertoont die een blauwachtige purperen glans. De kauw is de kleinste van de vier in Nederland voorkomende kraaiachtigen. Met een lengte van 33 cm is er nogal wat verschil met de 47 cm lange roek en de even grote zwarte kraai. Met de recentelijk in de omgeving van Tilburg verschenen raaf van 64 cm is het verschil wel héél opvallend. Een gedetailleerde blik op de kauw wijst uit dat hij ook niet helemaal zwart is. De kauw is grijs in de nek, hals en wangen. Ook de flanken zijn wat lichter getekend. De lichte ogen met een zwarte kern vallen op naast de geheel zwarte ogen van de zwarte kraai, de roek en de raaf. De kauw is een sociale vogel die altijd in de buurt van soortgenoten is.


                  Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


zondag 21 november 2021

Noorderbos Nestkastonderzoek OPEN verslag 2021



























Noorderbos Nestkastonderzoek OPEN


Verslag 2021 door Ad Kolen

Koolmees gematigd, pimpelmees grijpt zijn kans.



De letters van het nestkastonderzoek OPEN staan voor Onderzoek, Processierupsbeperking, Educatie en Noorderbos. Het onderzoek heeft een OPEN karakter. Alle verzamelde gegevens worden zo veel mogelijk gedeeld. Al deze doelstellingen zijn naar tevredenheid uit de veren gekomen in 2021.


Dit jaar zijn vanaf 8 april wekelijkse nestkastcontroles uitgevoerd. Tijdens iedere controle worden alle details zoals de vorderingen van de nestbouw, het aantal gelegde eieren, het aantal aanwezige nestjongen en de uitgevlogen vogels genoteerd. Alle details zijn vastgelegd ook als het om dode of geroofde jongen en eieren gaat. Alles is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het Meetnet Nestkaarten van Sovon. Van de 60 in 2021 in het Noorderbos aanwezige nestkasten zijn er 53 door 4 verschillende vogelsoorten bezet. De bezettingsgraad van de nestkasten in 2021 is lager (88%) dan in 2020 (96%).




Koolmees

De koolmees is nog steeds de meeste in nestkasten broedende vogel in het Noorderbos. Hij bezet er 28 in 2021. Dat is 53 % van alle bezette nestkasten tegen 79% in 2020 (in 34 nestkasten). In 2020 zijn uit de 346 eieren van de 34 eerste legsels en 1 tweede legsel in totaal 283 jonge koolmezen uitgevlogen (82% van de gelegde eieren). In 2021 zijn uit de 273 gelegde eieren van het eerste legsel 213 jonge koolmezen uitgevlogen (78%). In 2021 zijn 11 tweede broedsels bij koolmezen aangetroffen. Daarvan mislukten er 7. Uit de 76 eieren zijn 29 jongen uitgevlogen (38%). Uit het totaal aantal (349) door koolmezen gelegde eieren in 2021 zijn 242 koolmezen uitvlogen (69%). Het beduidend lagere aantal uitgevlogen jongen in 2021 is vooral veroorzaakt door vele tweede broedsels met een de lage uitkomst.



Een pimpelmees op eieren, de meest succesvolle vogel in 2021.


Pimpelmees

Het broedseizoen van 2020 was niet erg succesvol voor de pimpelmees. Zeven pimpelmeesparen produceerden gezamenlijk 88 eieren waar uit 51 jongen uitvlogen (58%). Dit jaar (2021) pakt heel anders uit.

De bijgeplaatste nestkasten en aanpassingen aan de invliegopeningen geven de minder dominante pimpelmezen meer ruimte. Het aantal bezette nestkasten stijgt van 7 naar 22. De eerste legsels produceren in totaal 234 eieren waar uit 212 jongen uitvliegen, dat is 91% van de gelegde eieren. Met de tweede broedsels erbij is het percentage uitgevlogen jongen 86%. In alle opzichten betere resultaten voor de pimpelmees in 2021. Voedselgebrek lijkt voor deze soort niet te bestaan in 2021.



Een succesvol pimpelmeesnest met 3 juist uitgekomen jongen en nog 10 eieren die ook uitkomen en uitvliegen.


Spreeuw en boomklever

Naast de mezen hebben spreeuwen 3 legsels groot gebracht. Uit 16 eieren, vliegen 15 jonge spreeuwen uit. Een paar boomklevers is goed voor 3 uitgevlogen jongen uit 5 eieren. Beide soorten vinden een broedplek in een nestkast waarvan de invliegopening door een grote bonte specht is uitgehakt.


Jonge spreeuwen

Bonte vliegenvanger
De bonte vliegenvanger behoort voor zover bekend niet tot de broedvogels van het Noorderbos. Tijdens een controle op 15 april is een bonte vliegenvanger gezien op de daken van meerdere nestkasten. Tijdens het daarop volgende bezoek op 23 april 2021 is in 2 nestkasten een dode mannelijke bonte vliegenvanger gevonden, naast een broedende koolmees. Beide vliegenvangers zijn dood gepikt, gezien de verwondingen aan de kop. Triest, terwijl in de omgeving nog meerdere nestkasten onbezet zijn.


Details

In 2021 is vastgesteld dat de aanwezigheid van bezette nestkasten in het Noorderbos het aantal eikenprocessierupsen in de directe omgeving heeft beperkt. Op grotere afstanden is er geen verschil vastgesteld.


De wat lagere resultaten en bezetting van de nestkasten dit jaar ten opzichte van het voorgaande jaar is het gevolg van het koude voorjaar. Het daardoor veroorzaakte voedselgebrek is vooral voor de koolmees van invloed. Voornamelijk op de vervolglegsels. Een verslag met meer details verschijnt in de nieuwsbrief vogelsenzo nr. 43 stuur een e-mail naar adkolen@kpnmail als je die wilt ontvangen.





donderdag 18 november 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Naschrift



Naschrift

Nieuwsgierigheid

’Leuke’ niet algemene vogelsoorten, zoals de kleine plevier, de ijsvogel en de watersnip, trekken al gauw je aandacht als vogelaar, zeker als het in een geheel nieuw gevormde omgeving is. Enkele bezoeken in de jaren 2001 en 2002 zijn de aanleiding geweest om de Dongevallei nader te gaan bekijken. Een eerste wandeling binnen de omheiningen in het voorjaar van 2003 geeft al een beeld van het gebied. De plassen en moerassen, diep en ondiep, opkomende en plaatselijk nog ontbrekende begroeiingen garanderen een grote diversiteit aan vogelsoorten. Deze eerste kennismaking wekte mijn nieuwsgierigheid op. Welke vogelsoorten komen er nog meer voor gedurende het jaar? Welke komen er tot broeden? Welke soorten komen er bij als het gebied zich verder ontwikkelt? Welke vallen er af? Hoe zullen de verhoudingen in aantallen gaan verlopen? En nog tal van andere vragen kwamen bij me op. De manier om er achter te komen is zelf op onderzoek uitgaan. Dus: een plan opgezet, de route bepaald, een telmaat gezocht en aan de slag.




Veel gebeurtenissen en veranderingen

Terugkijkende vanaf de eerste prille stappen is er veel gebeurd in de Dongevallei. Hoewel de telronden gericht zijn op het waarnemen van de aantallen en het gedrag van vogels, heb ik ook oog gekregen voor het wel en wee van de overige flora en fauna en de ontwikkelingen van het landschap. Vooral in de zuidelijke delen is bij aanvang van de tellingenreeks de bodem op veel plaatsen nog kaal of schaars begroeid. Deze voedselarme situatie is tijdens de inrichting van het gebied door het afgraven van de bodem ontstaan. De pionierssituatie staat alleen al door natuurlijke successie onder druk. Vele soorten mossen en korstmossen vormen als eerste een prachtige afwisseling in vorm en kleur op de veelal onbegroeide bodems. Het inventarisatieonderzoek ‘De mossenflora van de Dongevallei Tilburg’ (C. Buter, 2009) geeft aan: “De mossenflora in de Dongevallei kan en zal veranderingen ondergaan, zulks alleen al vanwege de successie. Daarnaast kunnen ook onvoorziene meteorologische en/of milieueffecten hierbij een grote of zelfs bepalende rol spelen.” De wereld van de planten is niet mijn expertise maar met mijn bescheiden kennis op dat gebied zie ik wel dat voornoemde feiten invloed hebben op de plantenwereld in de Dongevallei. De effecten van voedselarme pionierssituaties, zoals het verschijnen van moeraswolfsklauw, kleine zonnedauw, tormentil, blauwe zegge en grote ratelaar heb ik zien afnemen of verdwijnen (de plantengroei in de vroege jaren van de Dongevallei is vastgelegd in ”Monitoring Dongevallei 2003-2006 IVN-I. Radstake”). Ook de gevlekte orchis komt door het op betreffende groeiplaatsen uitblijven van beheersmaatregelen nog nauwelijks voor. 



Gevlekte orchis.


Ondanks mijn beperkte aandacht voor de flora (tussen de vogeltellingen door) heb ik ook verheugende feiten vastgesteld, zoals de - tot zover - enige waarneming (2012) van de rietorchis in de Dongevallei. Leuke ervaringen zijn de opkomst van schrale ogentroost en echt duizendguldenkruid. Hoewel het duizendguldenkruid met zijn prachtige losse schermachtige bloeiwijze iets lijkt af te nemen, kunnen beide soorten zich goed handhaven. Ze zijn als typische soorten van de Dongevallei te bestempelen. Sinds 2015 heeft zich een - aanvankelijke onbekende - exoot gevestigd: de gele bieslelie. Vanuit lage natte delen heeft het invasieve plantje zich over grote delen van de Dongevallei verspreid, waarschijnlijk vooral via de maaimachines. Ook op hogere iets droge delen komt de soort nu voor.




Bij de aanvang van de tellingenreeks is de bodem in het zuidelijk deel nog grotendeels kaal,
 ruighaarmos is een van de eerste bodembedekkers.


Successie en ganzen

Het verdichten en voedselrijker worden van de bodem van de Dongevallei heeft meerdere oorzaken. De successie, de opeenvolging van plantengroei, is er één van. Het beheer is gedeeltelijk gericht op het openhouden van het gebied. De constante door stuwen en pompen geregelde waterstand, ook van de aangrenzende bodems, vormt een goed substraat voor het opschot van talloze berken en zwarte elzen. Bij de zeer noodzakelijke beheersmaatregelen blijft, ondanks het afvoeren, nog veel van de gehakselde begroeiing liggen. Het afzetten van opschot verdicht de plantengroei en de restanten verrijken de bodem in een latere fase. Een belangrijk deel van de verrijking, en lokaal zelfs vermesting, van open gronden is en wordt nog steeds veroorzaakt door ganzen. 



Soepganzen.

De snelgroeiende populatie soepganzen lijkt aanvankelijk hét probleem. De groep soepganzen is ontstaan uit enkel losgelaten tamme ganzen. Voederingen door omwonenden houdt de populatie in stand. De aantallen soepganzen worden snel geëvenaard door de snel toenemende aantallen grote Canadese ganzen. Vanaf 2009 overtreffen deze de aantallen soepganzen en lopen de aantallen op tot meer dan 300 exemplaren tijdens één telling. Ze verblijven niet alleen op het water maar foerageren en rusten ook vaak op de aangrenzende oevers en in open delen. Ook in gebieden buiten de Dongevallei foerageren grote groepen Canadese ganzen en zij brengen van daaruit ook voedingsstoffen (mest) het gebied in. Soms zijn er weinig waarnemingen en een enkele keer ontbreekt de soort zelfs helemaal in de Dongevallei. De populatie is zeer wisselend - zie de verschillende overzichten.






Grote Canadese ganzen met jongen, talrijk uit het ei gekropen in de Dongevallei.


Globaal beeld


Om een globaal beeld te schetsen van de vogeltellingen in de Dongevallei van 2004 tot en met 2019 is het goed eerst wat cijfers op een rij te zetten. In de zestien jaren van de tellingenreeks zijn twee tellingen per maand uitgevoerd. Dat zijn 384 tellingen tijdens de eerste uren van de dag. Vanaf half maart tot half juli (het broedseizoen) is dat vanaf zonsopgang. De meeste tellingen liggen verspreid over de maand met een minimale tussenpose van 10 dagen, maar gewoonlijk liggen er 2 weken tussen. Het startpunt is steeds de brug over de Donge aan de Reuverlaan. Al die wandelingen langs de randen van het gebied leverden in totaal 159.963 waarnemingen van vogels op. Het gaat om 125 verschillende soorten vogels. Dat is gemiddeld bijna 78 vogelsoorten per jaar, variërend van 71 tot 85. Per telling komt dat op gemiddeld 33 vogelsoorten uit. Het hoogste aantal vogelsoorten is in de maanden maart tot en met juni gezien. In die periode, het broedseizoen, zijn alle vogels, dus ook de niet broedvogels, in het totaal meegenomen. Gedurende de tellingenreeks is een duidelijk stijgende lijn van de aantallen vogels vastgesteld. In het eerste teljaar 2004 waren er in totaal 8.165 waarnemingen van vogels; in het laatste teljaar 13.027. In de tussenliggende jaren schommelen de aantallen licht.


Braakliggende gronden grenzende aan de Dongevallei zijn in middels met huizen bebouwd.
Een aantal vogelsoorten is daardoor afgenomen of wordt niet meer waargenomen.

Top 5


Bovenaan de lijst met de meest waargenomen vogels staat de grote Canadese gans. Met in totaal 24.880 waargenomen exemplaren is dat geen verrassing. Hij staat ruim boven de wilde eend met 20.162 en de soepgans met 14.504 exemplaren. Ze komen alle drie uit de familie van de eendachtigen (Anseriformes). Ook op de vierde (kokmeeuw 12.365 ex.) en de vijfde plaats (meerkoet 10.535 ex.) staan vogels die aangetrokken worden door water. Dit is niet vreemd voor een zo waterrijk gebied waar nauwelijks verstoring door mensen plaatsvindt. Het succes van de rijkdom aan flora aan fauna is na de aanleg door mensen vooral te danken aan het ontbreken van mensen. In 2004 is het gehele telgebied met schrikdraad omheind om de grazers binnen te houden. Alleen het meest noordelijke deel vanaf de Mariadevonder is buiten het broedseizoen voor iedereen toegankelijk. Er komen niet heel veel mensen. Alleen als het water bevroren is, ontstaat er drukte. Geen betreding en geen honden betekenen geen verstoringen. De rust trekt allerlei soorten vogels aan en geeft ook de flora meer kansen. De Dongevallei blijft echter door zijn beperkte afmetingen, vooral in de breedte, een zeer kwetsbare omgeving.




Broedvogels

Van de broedvogels is ook een top 5 gemaakt. Bij de aantallen vastgestelde territoria staat de oeverzwaluw bovenaan met in totaal 315 zekere broedgevallen. De aanleg van de kunstmatige oeverzwaluwwand in 2013 bracht niet de verwachte broedzekerheid. Naast jaren met goede resultaten ontbreekt de oeverzwaluw door uiteenlopende oorzaken ook een aantal jaren als broedvogel. Op de tweede plaats staat de grote Canadese gans met 304 vastgestelde territoria gedurende de hele tellingenreeks. De meerkoet is het gehele jaar met flinke aantallen aanwezig en staat met 280 territoria op de derde plaats van de meest vastgestelde broedvogels. De wilde eend en de fitis staan respectievelijk op de vierde en vijfde plaats. Van 60 vogelsoorten is vastgesteld dat ze tot de broedvogels van de Dongevallei behoren. In totaal zijn dat 2.834 territoria. Van meer dan 40 vogelsoorten zijn gedurende de tellingenreeks 10 of meer territoria vastgesteld. Maar één of twee territoria zijn van 10 vogelsoorten bekend, waaronder de inmiddels in Nederland uitgestorven kuifleeuwerik (1) en de wielewaal. De laatste is hier waarschijnlijk niet echt tot broeden gekomen.



Met 315 vastgestelde territoria is de oeverzwaluw de meest voorkomende broedvogel in de Dongevallei.


Externe effecten

De veranderingen in de directe omgeving van de Dongevallei zijn een wezenlijke oorzaak van het afnemen van de aantallen en het verdwijnen van verschillende soorten vogels. Door verdere uitbreiding van de Reeshof met wijken als Koolhoven en Witbrand zijn verbindingen met omringende buitengebieden verbroken. De fazant en de torenvalk zijn mede daardoor uit de Dongevallei verdwenen. Ook bebouwingen op korte afstand, tot direct aan de grenzen van de Dongevallei, hebben een nadelig effect op het voorkomen van vogelsoorten als grasmus, bosrietzanger en spotvogel. Wijzigingen in het klimaat en veranderingen in de grootte van de populatie, zowel op lokaal als op Europees niveau, zijn van invloed en zichtbaar geworden in de Dongevallei.


Landschappelijke veranderingen

De landschappelijke veranderingen in de Dongevallei zijn ondertussen groot en gaan door. Het verdwijnen van pionierssituaties heeft invloed op de flora en fauna. Wat de vogels betreft, is de kleine plevier, een echte pionier, inmiddels uit het gebied verdwenen. Aanleg van een nieuw gebiedsdeel en gerichte beheersmaatregelen leidden even tot een opleving maar konden de soort niet behouden. Ook andere voortrekkers, zoals de roodborsttapuit en de blauwborst, behoren niet meer tot de jaarlijkse vogelpopulatie van de Dongevallei. Het waterniveau in de Dongevallei is sterk gereguleerd en vooral verbonden aan de loop door het woongebied de Reeshof. Kleinere delen zijn afhankelijk van regenval en laten soms fluctuaties in de waterstand zien. In het grootste deel van het telgebied zijn er slechts beperkte schommelingen (10-30 cm) in de waterstand en gewoonlijk wordt de stand weer snel op niveau gebracht. Ingrijpende veranderingen, zoals overstromingen en afkalving van oevers die zich gewoonlijk in natuurlijke situaties voordoen, komen in de Dongevallei niet voor. Door de inrichting en het beheer van het gebied en de omgeving verdwijnen de pionierssituaties langzaam. Ze kunnen alleen met ingrijpende maatregelen hersteld worden.




Blad van de zwarte els (Alnus glutinosa), de meeste talrijke boom in de Dongevallei verschijnt van zelf.


Toename bosvogels

De beheersmaatregelen in de Dongevallei zijn gericht op het openhouden van grote delen van het gebied. Bij het jaarlijkse afzetten zijn kleine delen ontzien en zijn eilandjes met begroeiingen ontstaan. Deze stukken worden weliswaar nu en dan ingeperkt, maar de bomen die er staan nemen in hoogte toe. Samen met andere stroken waar bomen kunnen doorgroeien en de bosvorming op het grote eiland bij de Reuverlaan ontstaan er sterke contrasten tussen hoog en laag. Begroeiingen van tussenliggende hoogtes van 1 tot 3 meter ontbreken in toenemende mate. Daardoor groeien de aantallen van de struweelvogels als roodborsttapuit, grasmus en tuinfluiter niet verder of nemen af. Soorten als kneu en fitis, die toch de voorkeur aan wat meer openheid geven, nemen af. Het aantal broedende fitissen vermindert, terwijl de tjiftjaf, die meer op bomen en bos is gesteld, duidelijk in aantal toeneemt. Ook andere op bomen en bos gerichte soorten als boomkruiper en gaai nemen toe en de grote bonte specht laat zich langzaam maar zeker ook meer zien.


Openheid herstellen en continueren

De bosvorming op het grote eiland noordelijk van de Reuverlaan is vooral voor bosvogels interessant. De in de beginperiode aangeplante bomen en struiken zijn nagenoeg allemaal verdwenen door de permanent hoge waterstand. Aan de oevers staan hier en daar wilgen maar het merendeel van het eiland is bedekt met hoog opgaande zwarte elzen en berken. De doorgroeiende bomen bieden op den duur mogelijk nestgelegenheid aan de aalscholver en/of de blauwe reiger. Beide soorten zijn in de Dongevallei voortdurend aanwezig en er is voldoende voedsel voor ze, dus wie weet. Een deel van de bomen op het eiland door laten groeien voor de vestiging van een broedkolonie is aan te bevelen. Verder zouden meer vogelsoorten van het eiland kunnen profiteren door meer openheid te creëren rondom de plassen en op het middendeel van het eiland, als ook meer geleidelijke overgangen van de begroeiingen vanaf de oevers, bij voorkeur helemaal rondom. Zeer aan te bevelen is meer openheid in het gebied om de grote plas zuidelijk van de Reuverlaan. Daardoor zouden akker- en weidevogels meer kansen kunnen krijgen. Deze soorten hebben het landelijk heel moeilijk. Het opnieuw kaal maken van het eiland in de plas zou scholeksters en kleine plevieren weer kansen geven om er te broeden. Ook het schiereiland kaal houden met zanderige delen zou goed zijn voor diverse vogelsoorten die het moeilijk hebben. Aan de randen van die omgeving rijzen bomen hoog op. Het creëren van geleidelijke overgangen en meer afwisseling is goed voor de struweelvogels. Boom gebonden vogels doen het landelijk goed en in het noordelijk deel van de Dongevallei liggen er al veel kansen voor deze groep vogels.


Conclusie

Een totaalbeeld schetsen van 16 jaar vogels tellen in de Dongevallei is niet eenvoudig. Vele factoren bepalen het beeld. De lange smalle vorm van de Dongevallei beïnvloedt de aanwezigheid van sommige vogelsoorten. De delen waar geen mensen komen, zijn voor een aantal vogelsoorten een veilige haven. Voor andere vogelsoorten liggen de gebieden te dicht bij menselijke invloedssferen. De grote Canadese gans is een soort die zich veilig voelt in de Dongevallei en er in grote aantallen broedt en ook rust. De groei van de broedpopulatie lijkt over de top te zijn. Onder druk gezet door de al jaren in de Dongevallei wonende vossenfamilie verspreiden de Canadese ganzen zich verder over de Reeshof. De ganzen hebben zich in hoge mate aangepast aan mensen en broeden op vele plaatsen in de verschillende wijken in de Reeshof.


Zoals eerder beschreven is het vrijwaren van betreding de bepalende factor in het voorkomen van de rijke flora en fauna in de Dongevallei. Het gevolg daarvan is een unieke situatie: in dit drukke stedelijke gebied zijn 125 verschillende vogelsoorten waargenomen, waaronder 60 soorten broedvogels. Met een doordacht beheer, gericht op een breed scala aan soorten flora en fauna, zal het gebied nog lang zijn waarde behouden. Hoewel de toestand van de Nederlandse en Europese natuur wel lichtpuntjes vertoont, staat het geheel zwaar onder druk. Langzaam maar zeker dringt het maatschappelijk bewustzijn door dat het zo niet verder kan. Nu nog daadwerkelijk er iets aan doen! Ik hoop die kentering in de Dongevallei en zeker ook daarbuiten nog te ervaren.






Hoop is leven !




Reacties naar adkolen@kpmail.nl