donderdag 31 januari 2019

De Vogels en het Noorderbos 2003 - 2017 Houtsnip







Ad Kolen




Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.)
 



 Houtsnip - Scolopax rusticola


Gewoonlijk komt de houtsnip pas in beeld als hij wordt opgeschrikt en met suizende vleugelslagen wegvliegt. Rechtuit zonder wendingen uit beeld verdwijnen, onderscheidt hem van de watersnip. Bij goed zicht maken ook de grote ogen, het grotere formaat en de dwarsstrepen op de kop het verschil met de watersnip. De houtsnip is een gedrongen steltloper op korte poten met een zeer lange snavel en hij is groter dan een kievit. Er is enigszins een overeenkomst met deze soort als je naar de brede afgeronde vleugels kijkt. Het verenkleed van de houtsnip is aan de bovenzijde roodbruin en aan de onderzijde beige met overal strepen en vlekken.


De houtsnip broedt in bossen van behoorlijke afmetingen met open plekken en een humusrijke, natte bodem. De droge bossen op de zandgronden zijn minder talrijk bezet. Buiten het broedseizoen heeft de houtsnip ook een voorkeur voor bossen, maar duikt hij soms op onverwachte plaatsen op, zoals in tuinen in de stad en in het Noorderbos.

Op 6 november 2009 is een houtsnip opgestoten in het Noorderbos.

 



Reacties naar
adkolen@kpnmail.nl


Het Noorderbos en de Vogels 2002 - 2017 Grutto






































Ad Kolen





Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.)
 


 

Grutto - Limosa Limosa

 

De grutto is een grote slanke steltloper die vooral in graslanden vertoeft. De lange snavel is recht en de zwarte poten zijn zo lang dat ze tijdens de vlucht ver buiten de staart uit steken. De met zwart omzoomde witte ondervleugels en de witte strepen op de vleugels zijn typerend voor de grutto. Met de kastanjebruine borst en hals en de gevlekte vleugels is hij een statige verschijning.


De grutto broedt in de noordelijke helft van Europa tot ver in Rusland. Binnen de EU broedt 80% van het gruttobestand in Nederland. Overwinteren doen ze langs de West-Afrikaanse kusten en recentelijk ook dichterbij in Spanje en Portugal. De grutto broedt in Nederland voornamelijk op graslanden, het liefst extensief beheerde.


Biotoopverlies door verstedelijking, ontwatering en de veranderende structuur van de graslanden zijn onder andere de oorzaken van de terugloop van de broedende grutto in ons land. De zuidelijke provincies en ook grote delen van Overijssel en Gelderland zijn geheel ontvolkt. Ook in bolwerken van de grutto in Friesland is de populatie met 60% afgenomen. De huidige populatie bestaat uit 31.000-38.000 broedparen. In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam men uit op 120.000 (bron: sovon.nl).


Na een heldere koude nacht (-5°C) zijn in de ochtend van 22 februari 2003 éénmalig 5 grutto’s neergestreken bij de Noorderplas. Het water is, op enkele wakken na, geheel dicht gevroren.

 

 
Reacties naar adkolen@kpnmail.nl
 
  

woensdag 30 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Watersnip



 




Ad Kolen






Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.) 
 




Watersnip - Gallinago gallinago




Plotseling opvliegend
Een kleine vogel met een erg lange snavel die in een natte omgeving plotseling op korte afstand opvliegt, is gewoonlijk een watersnip. Hij foerageert graag in ondiep water met begroeiing. De vogel blijft lang zitten en komt dan onverwachts uit het niets te voorschijn. Plas-dras gebieden zijn ideaal voor de watersnip. Hij maakt raspende geluiden bij het opvliegen en verdwijnt in een snelle en onregelmatige vlucht zigzaggend uit beeld. Als de waarnemer snel reageert, ziet hij mogelijk het oranje in de staart. Bij de gelijkende vogelsoort, het bokje, ontbreekt dat. De gelijkende houtsnip vliegt in één rechte lijn direct weg.

 
Weinig broedparen, veel doortrekkers
In Nederland broeden de laatste jaren een beperkt aantal watersnippen: 1.000-1.500 paren. Nederlandse broedvogels trekken weg naar Noord-Afrika en Engeland. Grote aantallen watersnippen uit Noord- en Oost-Europa trekken door ons land en blijven vaak lang hangen. Ze foerageren in moerassige gebieden, zolang het niet vriest. Bij vorst zoeken ze open water op of trekken weg. In de winter verblijven 10.000-20.000 watersnippen in Nederland.


Lage aantallen in het Noorderbos
De watersnip is een beperkt aantal malen in het Noorderbos aangetroffen. Tijdens negen tellingen in zeven teljaren zijn 14 watersnippen gezien. Zes keer gaat het om solitaire waarnemingen. Kleine groepen (2-3 stuks) zijn gezien in periodes met sneeuw en ijsvorming. Het Noorderbos is, met uitzondering van de plas, de Zandley en wat oude (dicht geslibde) aan- en afvoersloten van de vloeivelden, tamelijk droog. Delen van de drainagesystemen zijn nog intact gebleven en voeren water af.

 

Reacties naar
adkolen@kpnmail.nl

  

maandag 28 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 -2017 Kievit

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 


Ad Kolen

 

Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.) In de begeleidende grafieken wordt het totaal aantal waargenomen vogels per jaar (24 tellingen) of per maand (30 tellingen) weergegeven. Bij de broedvogels zijn de per jaar vastgestelde territoria te zien.  
 

 
Kievit - Vanellus vanellus


Bekende vogelsoort
Naast stadsvogels als de merel en de huismus is de kievit voor velen een bekende vogelsoort. Wie kent hem niet, met zijn prachtige uiterlijk en sierlijke baltsvluchten. Bij het horen van de ruisende veren en de aanhoudende kie-wiet kie-wiet roep laaien de voorjaarsgevoelens op. Met in het vizier de brede vleugels en een wapperende kuif zal iedereen roepen: ’’De kievit is er weer!’’


Teruggang van onze ’nationale vogel’
Met de kievit, eens onze ’nationale vogel’ volgens Rinke Tolman (schrijver monografie – de kievit) gaat het niet goed. Deze van oorsprong op de steppe levende vogel heeft zich aangepast aan de uitgestrekte graslanden van ons landschap en elders in West-Europa. Daarin is ondertussen veel veranderd. Rond de eeuwwisseling zijn op de zandgronden in het oosten en zuiden van ons land de landbouwgebieden de belangrijkste broedgebieden geworden. In de broedvogelatlas met gegevens uit 1998-2000 staat dat in die periode ongeveer de helft van de Nederlandse broedvogels op bouwgrond broedt. De broedpopulatie van ons land, in die periode 200.000-300.000 broedparen, is inmiddels gedaald naar 111.000-160.000 (bron: sovon.nl). De enorme veranderingen in het landschap en het agrarisch gebruik daarvan zijn de basisoorzaak van de teruggang van de kievit en ander vogelsoorten van het boerenland. Vele gedane zaken terugdraaien kan mogelijk het tij keren.

  








 Figuur 1.


Lage aantallen in het Noorderbos
De aanwezigheid van de kievit in het Noorderbos is laag, toont de grafiek in figuur 1. Gedurende de hele tellingenreeks zijn 54 kieviten aangetroffen. Het Noorderbos biedt niet veel mogelijkheden voor de soort. De zes percelen grasland zijn klein (1 tot 1,5 ha per perceel) en ondanks begrazing ook vaak erg ruig. De onoverzichtelijkheid - door bossen omzoomd - is daarbij mede bepalend. De waarnemingen concentreren zich dan ook rondom de Noorderplas. Tijdens 13 tellingen is de kievit in het gebied aanwezig. Vaak zijn het solitaire waarnemingen of kleine groepjes tot 5 stuks. In een winterse periode aan het begin van 2003 is een groep van 15 kieviten bij een wak in de plas neergestreken.


Na het broedseizoen verzamelen kieviten zich in groepen, op zoek naar voedsel en rust. Op 17 september 2007 is een groep van 16 kieviten in het Noorderbos waargenomen. Na het begin van de intensieve zandstortingen in de plas (2008) houdt de kievit het voor gezien. De verdere afname van de soort in Nederland, maar ook in de rest van West-Europa, speelt daarbij tevens een rol.


 
 Reacties naar adkolen@kpnmail.nl
 
 

zondag 27 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Kleine plevier






















Kleine plevier op steenslag bij de Noorderplas.




Ad Kolen



Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.)
 




Kleine plevier - Charadrius dubius



Gele oogring
De kleine plevier is een steltloper van geringe afmetingen met een ronde kop, een donkere kruin en een bruine rug met witte onderdelen. Het is een vogel die vooral in het binnenland verblijft en broedt. De zeer gelijkende bontbekplevier kan in de trekperiode ook in het binnenland gezien worden. Gewoonlijk ligt zijn biotoop aan de kust. Zowel van dichtbij als op afstand zijn beide soorten goed te onderscheiden. De kleine plevier heeft een duidelijke gele ring om de ogen. De bontbekplevier is in de vlucht goed te herkennen aan de witte streep in de lengte van de vleugels. Aan het einde van de zomer tot september trekt de kleine plevier weg via Frankrijk en Spanje om in Noord-Afrika te overwinteren. In maart-april keert hij terug naar de broedgebieden.

 

Hoopgevende kansen
De kleine plevier is tijdens het eerste broedvogelproject (1973-1977) een vrij schaarse broedvogel in ons land. De aantallen zijn licht, maar niet veel gestegen. Wel is de verspreiding over het land gewijzigd. West-Friesland, zuidelijk Flevoland en een deel van het rivierengebied zijn verlaten en andere delen zijn bezet. Deze wisselingen zijn inherent aan hun levenswijze. De open gebieden die ze als biotoop verkiezen, groeien gewoonlijk naar enkele jaren weer dicht en worden ongeschikt. Op grinddaken broeden (soms in kolonies met de visdief en de kokmeeuw) is een nieuwe ontwikkeling. Deze biedt, samen met de wijzigingen in het beleid rondom de rivieren en meer ruimte door het graven van nevengeulen en dergelijke, de kleine plevier hoopgevende kansen voor de toekomst (bron: sovon.nl).



Pionier
De kleine plevier is een pionier: hij foerageert en broedt op zand- en grindbanken die door natuurlijk stromende beken en rivieren ontstaan. Deze dynamische biotoop kan zo maar ontstaan en weer verdwijnen. Zijn voedsel bestaat uit een grote verscheidenheid aan kleine ongewervelde dieren. Broeden doet hij in een ondiep nestkuiltje in de bodem, waardoor hij erg gevoelig voor predatie is. De kleine plevier kan ook leven in door mensen ontwikkelde biotopen, zoals opgespoten terreinen, grindgroeves en grote bouwprojecten. De invloed daarvan is mede bepalend in de ontwikkeling van de Nederlandse kleine plevieren. De populatie verloopt van 800-1.300 broedparen (1973-1975) met een licht gedaalde tussenstand van 750-1.100 (1989-2000) in een stijgende lijn naar 1.200-1.500 broedparen tijdens de laatste atlasperiode (bron: Sovon.nl.)


Broeden op steenslag bij de Noorderplas
De zandstortwal die vanuit de zuidwestelijke oever van de Noorderplas is ontstaan, is door de kleine plevier als leef- en broedgebied ontdekt. De toplaag bestaat uit steenslag: gemalen gesloopte huizen en gebouwen, ook geschikt voor de kleine plevier, blijkt al snel. Deze wal, bedoeld om laagwaardig zand van allerlei bouwprojecten in de plas te storten, is lange periodes niet of weinig gebruikt. Blijkbaar zijn die periodes voldoende rustig voor de kleine plevier om er voedsel te zoeken en er zelfs een territorium te vestigen.



Jonge kleine plevieren in het Noorderbos
Op 19 mei 2015 zijn voor het eerst een paar kleine plevieren op de wal aangetroffen. Verder is de soort niet meer gezien in dit jaar. Als ze het daaropvolgende voorjaar opnieuw verschijnen is de verwondering groot. De verrassing is nog groter als aan het einde van juni 2016 het paar kleine plevieren 2 vliegvlugge jongen van voedsel voorziet. Ook in 2017 is het paar ’hardnekkig aanwezig’ gedurende het gehele broedseizoen tot in augustus. Alles is aanwezig voor vaststellen van een territorium, inclusief baltsen en het direct weer terugkeren na verstoringen. Een nest en jongen zijn echter niet gevonden in dat jaar.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


  

vrijdag 25 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Scholekster














Ad Kolen




Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.) In de begeleidende grafieken wordt het totaal aantal waargenomen vogels per jaar (24 tellingen) of per maand (30 tellingen) weergegeven. Bij de broedvogels zijn de per jaar vastgestelde territoria te zien.


 



Scholekster - Haematopus ostralegus

 

Bonte piet
De bijnaam van de scholekster, bonte piet, wijst op twee kenmerken van deze typische steltloper. Bont slaat op het verenkleed, wit van onderen en op de bovenzijde afwisselend zwarte en witte delen; de (oranje)rode snavel en (roze)rode poten maken de vogel echt ’bont’. Paartjes en ook kleine groepen kunnen gezamenlijk eindeloos ’te-pieten’: een sociaal - niet helemaal duidelijk - gebeuren. Het valt niet erg op in het bonte geheel maar de volwassen scholekster heeft in de winter een witte keelband. Jonge vogels hebben dat ook in het begin en vallen ook nog lang op door de vale poten en de snavel met een donkere punt.


Afname na flinke toename
De scholekster is vanaf de helft van de vorige eeuw in het binnenland gaan broeden in allerlei natte omgevingen. De totale Waddenzee is het belangrijkste overwinteringsgebied van de scholekster, samen met de Nederlandse en andere Europese deltagebieden. Vooral mosselen, kokkels, nonnetjes en wormen vormen het voornaamste voedsel.

 
In de 20e eeuw zijn de broedvogels zeer sterk toegenomen tot 43.000-50.000 broedparen (1973-1977) en overwinterden er zo’n 260.000 scholeksters in de Waddenzee (1980-1990). Daarnaast is de Delta ook een belangrijk overwinteringsgebied. Er is echter veel areaal verloren is gegaan door de Deltawerken. Ook de intensieve visserij naar o.a. kokkels heeft de aantallen flink doen afnemen, zowel van de broedvogels (35.000-43.000) als van de overwinteraars (170.000-190.000), volgens de recent verschenen Vogelatlas (bron: sovon.nl).

  

 Figuur 1.


Gedeelde territoria
De scholekster is in alle van de 15 teljaren in het Noorderbos waargenomen, met name aan de Noorderplas. Zie figuur 1. Vaak op slibstrandjes maar in de tweede helft van de tellingenreeks meer op de steeds groter wordende zandstortwallen. Het voorjaar en vaak een deel van de zomer tot half juli vormen de periode dat ze er zijn. Enkele malen een solitair exemplaar, maar gewoonlijk betreft het een paar. Soms foeragerende, maar vaak ook in ruste. Het gaat om een laag totaal aantal (100), ten hoogste 10 per jaar en in 2015 maar 2, een jaar met veel activiteiten rondom de plas in het voorjaar.


De waarnemingen van scholeksters in het Noorderbos vallen samen met hun aanwezigheid in de aangrenzende graslanden, waar ze waarschijnlijk ook broeden. Ze doen althans een poging daartoe. In dit intensief gebruikte gebied kennen deze pogingen veelal geen goede afloop. De Noorderplas en omgeving zijn een deel van het territorium van de scholekster. In 2003, 2005, 2008 en 2013 zijn voldoende gegevens verzameld om één territorium vast te stellen. Het gaat dan steeds om een deel van een territorium. Het nest zal zich waarschijnlijk aan de overzijde van de Kalverstraat bevinden.

 

Reacties naar
adkolen@kpnmail.nl




woensdag 23 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Meerkoet







Ad Kolen

 


Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.) In de begeleidende grafieken wordt het totaal aantal waargenomen vogels per jaar (24 tellingen) of per maand (30 tellingen) weergegeven. Bij de broedvogels zijn de per jaar vastgestelde territoria te zien.  
 





Meerkoet - Fulica atra


 
Gelobde tenen
Het verenkleed van de meerkoet lijkt op afstand zwart, maar is in werkelijkheid grijs. Het bedekt het hele lichaam. De witte bles en snavel zijn typische kenmerken. Ook aan zijn gedrag is de meerkoet te herkennen, zoals aan het sprongetje voordat hij onder water duikt. Ook het moeizame opstijgen vanaf het water is typisch: hij heeft meters aanloop nodig om genoeg snelheid te krijgen. De groene poten zijn speciaal: ze eindigen in tenen met lobben eraan. De gelobde tenen zijn een tussenvorm van gewone tenen en zwemvliezen. Die tenen ontwikkelen zich al vroeg bij de jonge meerkoet en dit onderscheidt hem van het jonge waterhoen. Die kleine pootjes zie je echter niet vaak. Een duidelijker kenmerk zijn de gele donsveertjes op de kop van het meerkoetkuiken.


De meerkoet vertoont soms zeer uiteenlopend gedrag. Bij zacht weer verdedigt de lokale meerkoet tot in de winter zijn territorium tegen alles wat in de buurt durft te komen. Op hetzelfde moment grazen tientallen wintergasten uit het noordoosten vredig naast elkaar op de nabij gelegen dijk. Het mannetje draagt materiaal aan voor het nest dat door het vrouwtje wordt gebouwd. Samen broeden ze de eieren uit en verzorgen ze de jongen, waarbij elke ouder er enkele voor zijn rekening neemt. Oudere jongen helpen soms bij het voeden van jongere broertjes en zusjes als er nog een volgend broedsel is.


Enorme toename alle meerkoeten
Al tijdens het atlasproject van 1973-1977 sprak men van toename van de meerkoet door het voedselrijker worden van de wateren, de expansie van driehoeksmosselen en het zich aanpassen aan mensen. Alle wateren in bebouwde omgevingen worden door de soort gebruikt om te broeden en in de winter bezet om te overleven. De aantallen zijn fors gestegen van 50.000-80.000 broedparen toen naar 110.000-140.000 broedparen nu (2013-2015) en 350.000-370.000 exemplaren in de winter (bron: sovon.nl).








Figuur 1.                                                                   

Steeds aanwezig om de Noorderplas
De meerkoet is tijdens alle teljaren in het Noorderbos aanwezig (zie figuur 1): in totaal 2065 exemplaren. Ook bij alle maandelijkse tellingen is de soort bijna altijd gezien. Alleen in de tweede helft van het jaar ontbreekt de meerkoet wel eens. De presentie is lager vanaf augustus (zie figuur 2). Vooral in de winterse periodes aan het begin van het jaar stijgen de aantallen door gasten uit andere gebieden, waarschijnlijk ook vogels uit noordelijke streken die hier de winter doorbrengen. De aanwezigheid tijdens het broedseizoen is lager en vrij stabiel. Een piek in juli wordt veroorzaakt door jonge opgroeiende meerkoeten.
 




Figuur 2.  


Jaarlijks broeden meerkoeten in het gebied, voornamelijk aan de randen van de Noorderplas. Zie het overzicht in figuur 3 voor de aantallen. In de telperiode zijn in totaal 63 territoria van meerkoeten vastgesteld, waarvan 52 aan de plas en 11 aan de Zandley of een vertakking daarvan.

Bij de aanvang van de tellingreeks (2003) is het al enkele jaren rustig om de plas: de zandwinning is gestopt, de plantengroei komt op gang en wilgen en elzen vinden groeiplaatsen op de oevers. Gelegenheden om te nestelen nemen toe. Het aantal territoria vermeerdert langzaam. In 2008 zijn dat 4 broedparen die alle jonge meerkoeten voort brengen. De periodes van intensieve zandstortingen in de plas hebben invloed op het aantal broedparen en de resultaten: in 2012, 2013 en in 2017 zijn geen jonge meerkoeten geboren langs de Noorderplas. 



  



Figuur 3.

 Met het toenemen van de werkzaamheden op en rond de plas verplaatsen enkele paren hun broedplek naar een rustigere omgeving langs de Zandley. Vanaf 2015 zijn territoria vastgesteld langs de Zandley. In 2016 en 2017 zijn ook resultaten gezien, respectievelijk 2 en 3 jonge meerkoeten.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



maandag 21 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Waterhoen






 
Ad Kolen
 
 

Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.) In de begeleidende grafieken wordt het totaal aantal waargenomen vogels per jaar (24 tellingen) of per maand (30 tellingen) weergegeven. Bij de broedvogels zijn de per jaar vastgestelde territoria te zien.  
 




 Waterhoen - Gallinula chloropus

 

Kleurige details
Het waterhoen is iets kleiner dan de minder schuwe meerkoet. De rug is olijfbruin en de onderdelen zijn blauwgrijs. Op de flanken loopt een onderbroken witte lijn naar boven. Het rood van het schild op het voorhoofd loopt door tot op de snavel, waarvan de punt geel is. De lange poten met flinke tenen zijn gelig groen, met een rode vlek aan het bovenste gewricht. Bij het spreiden van de staart worden de witte onderstaart dekveren als een halve cirkel op de staart geprojecteerd. Dit teken is in gebruik onder mannetjes om rivalen af te schrikken. Ook bij de balts speelt het een rol. Het jonge waterhoen is meer bruin en duidelijk te herkennen aan het wat vale uiterlijk. Het volwassen waterhoen heeft meer kleurige details.

 

Landelijk geleidelijke afname
Het waterhoen ontbreekt alleen in streken waar het erg droog is. De dichtheden zijn het hoogst in het westen van het land. Vaak is het waterhoen schuw en leeft verborgen, maar een aangepaste levensvorm aan menselijke activiteiten komt ook voor. In kleine plassen en moerassen in bebouwde omgevingen komt de soort nu ook tot broeden. Droogte in het voorjaar en koude in de winter zijn nadelige factoren voor het waterhoen en dragen mogelijk bij aan de schommelingen in de jaarlijkse aantallen in het Noorderbos. Om onduidelijk redenen nemen de landelijke aantallen al enkele tientallen jaren geleidelijk af. Verdroging van moerassen en intensief beheer van sloten worden wel genoemd als mogelijke oorzaken. De geschatte aantallen in de eerste en de laatste broedvogelatlas laten een daling zien: van 45.000-75.000 broedparen in 1973-1977 naar 25.000-35.000 broedparen in 2013-2015. Lokale broedvogels blijven gewoonlijk hier, als het niet hard vriest. De populatie wordt in de winter aangevuld met gasten uit Duitsland en Scandinavië tot 50.000-90.0000 (bron: sovon.nl).

 
 
 Figuur 1.                                                              

 
Schuw gedrag
Het waterhoen is tijdens alle teljaren aangetroffen in het Noorderbos. In figuur 1 staan de aantallen waargenomen waterhoentjes per jaar: in totaal 501 exemplaren gedurende de telperiode. De grafiek laat ook de opmerkelijk grote verschillen in de aantallen per jaar zien. Deze zijn niet echt te verklaren. Het schuwe waterhoen is mogelijk menigmaal aan de aandacht van de teller ontsnapt. Hoewel het waterhoen gevoelig is voor strenge winters is dat niet altijd het gevolg van lage waarnemingen zoals in 2005. De winter van 2004-2005 was vrij zacht vrij droog en zeer zonnig (bron: KNMI.)

 
 Figuur 2.

 
Een overzicht van alle maand (figuur 2) laat zien dat de waarnemingen in het voorjaar en in de zomer het hoogst zijn. Broedactiviteiten en jonge vogels doen de aantallen wat hoger uitkomen. Verhoogde concentraties door overwinteraars is nauwelijks vastgesteld. Het totaal van de januari-tellingen geeft een wat hoger aantal aan, maar dat zakt weer in de maand erna.
 
Niet alleen op en langs de Noorderplas, maar ook op verschillende plaatsen langs de Zandley en de vertakkingen daarvan is het waterhoen waargenomen. Het is een schuwe vogel, vooral buiten de winterperiode. Toch kunnen we, voornamelijk in het broedseizoen, een patroon waarnemen van de plekken waar het waterhoen zich vaak ophoudt. Ook het gedrag is in de jaren steeds duidelijker geworden. Regelmatig heb ik bij onraad het onderduiken van een waterhoen gezien: via een ’duiker’ onder water zwemt het naar een ander deel van de Zandley. Om zich ongezien voort te bewegen verplaatst het waterhoen zich onder overhangende oeverbegroeiing.
 
 





Figuur 3.                                                            

Weinig broedresultaat gezien
Elk jaar, ook in het jaar met zeer lage presentie van het waterhoen, zijn één of meer territoria vastgesteld. In totaal betreft het 44 territoria (zie figuur 3.) Het lage aantal waargenomen broedsels heeft voor een deel te maken met het verborgen leven van het waterhoen. De jongen zijn waarschijnlijk vaak al gewaarschuwd door de ouders als ik als teller in de buurt kom en drukken of verstoppen ze zich. In de gehele telperiode heb ik slechts zevenmaal resultaat van het broeden gezien: steeds in lage aantallen, niet meer dan 3 stuks. 11 van de 44 vastgestelde territoria zijn gevestigd aan de rand van de plas. Alle overige territoria liggen ergens langs de Zandley of aan één van de vertakkingen.


De lage opbrengst van de broedsels van waterhoentjes langs de Zandley en de vertakkingen is voor een belangrijk deel ook te wijten aan de locatie die oudervogels kiezen. De oevers van deze strakke waterlopen lopen tamelijk schuin op naar boven. Plantengroei is daar heel goed mogelijk maar dat is niet de wens van het waterschap. Om een snelle afvoer van het water van de waterzuiveringsinstallatie Tilburg-Noord te garanderen worden de taluds tot aan de voet tweemaal per jaar gemaaid. Daarnaast wordt ook de bodem jaarlijks geschoond. Als het waterhoen er al een gelegenheid vindt om een nest te bouwen, wordt dat ook nog verstoord. Er valt altijd een maaibeurt midden in het broedseizoen, vaak aan het einde van de maand juni. 



Reacties naar
adkolen@kpnmail.nl


 

zondag 20 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Waterral







Ad Kolen.



Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.)
 

 

Waterral - Rallus aquaticus
 

De waterral is ingedeeld in de orde van de kraanvogelachtigen (Gruiformes) en komt uit de familie van de rallen (Rallidae). De familie van de rallen wordt omschreven als kleine tot middelgrote grondvogels met lange poten en korte afgeronde vleugels. Het waterhoen en de meerkoet behoren ook tot deze familie.


De waterral kan zich met zijn smalle lichaam en hoge poten met lange tenen gemakkelijk tussen rietstengels en waterplanten voortbewegen, zonder gehoord te worden. Hij is iets kleiner dan het waterhoen en de veren aan de bovenzijde zijn bruin met zwarte tekeningen. Aan de onderkant is de waterral blauwgrijs aan de halszijde en zwart met witte lijnen aan de achterzijde. De vrij lange spitse snavel is donker en de poten, die afhangen in de vlucht, zijn licht.


In de winter is de waterral meer over het land verspreid aanwezig dan in het broedseizoen. De waterral is van oudsher een broedvogel in Nederland. Uit het begin van de vorige eeuw zijn echter alleen broedgevallen bekend in Groningen, Friesland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. In de periode 1973-1979 wordt het aantal broedparen geschat op 2.400-3.600, in 2013-2015 op 2.800-4.700: een geringe toename. De schatting van de winterpopulatie is 3.000-6.000 exemplaren (bron: sovon.nl).


Één roepende waterral is op 7 november 2008 in het Noorderbos aangetroffen. De waterral wordt meestal opgemerkt door zijn onmiskenbare geluid: gillend als een varken, en wat varianten daarop. Tijdens de tientallen jaren dat ik actief ben als ’vogelaar’ heb ik de soort niet meer dan vijfmaal echt gezien. Tot nu toe nooit in het Noorderbos.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


vrijdag 18 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Fazant



Vrouwelijke fazant in een meer bescheiden verenkleed.
 
 
 
Ad Kolen
 
 
 

Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.) In de begeleidende grafieken wordt het totaal aantal waargenomen vogels per jaar (24 tellingen) of per maand (30 tellingen) weergegeven. Bij de broedvogels zijn de per jaar vastgestelde territoria te zien.
 




Fazant - Phasianus colchicus

 
Oorspronkelijk uit Azië
De uit Azië afkomstige fazant werd al zo’n 2000 jaar geleden door de Romeinen naar West-Europa gebracht. Zijn oorspronkelijke woongebieden waren de oevers van de Phacis. Deze rivier stroomde door de Kaukasus en de landstreek Colchis naar de Zwarte Zee. Zo is men aan de wetenschappelijke naam Phasianus cholchicus gekomen. Als gevolg van oorlogen en herverdelingen van de gebieden tijdens de laatste twee eeuwen zijn de vroegere namen veranderd. Zo is de streek Colchis het huidige Georgië en de naam van de rivier Phacis is veranderd in de Rioni. Vermoedelijk tussen de jaren 500 en 800 is de fazant in Nederland ingevoerd. Hij werd toen voornamelijk als siervogel gehouden. Pas vanaf de 18e eeuw is men begonnen met het invoeren van de Oost-Chinese Phasianus cholchicus torquates voor de jacht. Deze is vaak nog herkenbaar aan de witte halsband. De huidige fazantenpopulatie in Nederland bestaat uit een mengelmoes van ondersoorten uit de oorspronkelijke verspreidingsgebieden. Hoewel de fazant van nature vaak een schuwe en waakzame vogel is, komt men ook wel tamme vogels tegen. Sinds 1993 is het verboden gekweekte fazanten uit te zetten, maar het gebeurt nog wel in Zeeland en West-Brabant. In Zeeland werden vorig jaar plaatselijk nog ’onnatuurlijk’ hoge dichtheden aangetroffen. In West-Brabant lijkt het af te nemen.


Lichte ondervleugels
De mannelijke fazant is een kleurrijke vogel met een lange staart. De kop is donkergroen met een flinke plek rode washuid om het oog. Vaak is een witte halsring zichtbaar. Een soms voorkomende kleurvariatie is donkergroen op de borst en heeft lichter groen op de vleugels. Het vrouwtje is bruin gevlekt met een iets kortere staart. De fazant is geen snelle vlieger. Met veel kabaal stijgt hij op, niet heel hoog, om met slag- en glijvluchten enkele honderden meters te overbruggen. Van beide geslachten zijn de ondervleugels licht gekleurd, nagenoeg wit. Daar fazanten weinig vliegen en zelden hoog, valt dat nauwelijks op. Het vrouwtje leeft verborgen in de maanden na het broeden en is dan alleen bezig met het opvoeden van haar kuikens. De mannelijk fazant bemoeit zich niet met het broedsel. De belangstelling voor het territorium ebt weg en hij begint in juni aan de rui.


Afbouwen uitzetbeleid
Broedende fazanten nemen landelijk sinds 1990 met 5% per jaar af. De jaarrond waarnemingen doen dat ook sinds 1983 met 5% per jaar. Stedelijke gebieden en bosrijke omgevingen zijn niet favoriet bij fazanten. Het talrijkst zijn ze in agrarische gebieden op kleigronden in het zuidwesten en noordoosten van Nederland. De verdwijning uit de bosachtige gebieden waar ze rond 1975 wijdverspreid voorkwamen, zoals de Veluwe, is het gevolg van het geleidelijk afbouwen van het uitzetbeleid. Ook de sterke afname op vele andere plaatsen is het gevolg daarvan. De onnatuurlijk hoge dichtheden van de fazant, door het voortdurend uitzetten voor de jacht, verdwenen op veel plaatsen. Predatie door vos en havik en enkele strenge winters waren de oorzaken. Volgens Sovon komen illegale uitzettingen nog steeds voor.
 
 
Dergelijke praktijken zijn voor het Noorderbos en omgeving ook niet ondenkbaar. Vooral de laatste jaren neemt de populatie in het Noorderbos sterk af. Dalende aantallen per jaar en de aantallen territoria zijn in de figuren 1 & 2 te zien. De pieken en plotselinge dalingen kunnen verklaard worden uit grote uitzetacties of het ontbreken daarvan. Verder kijkende naar de feiten zijn er wellicht ook andere oorzaken.



 Figuur 1 . 

 
Lage reproductie
De waarnemingen van fazanten concentreren zich vooral op de maanden maart tot en met juni, het broedseizoen! Door de luidruchtige afbakening van het territorium in april en mei die al in maart aanvangt, zijn de waarnemingen hoog in die periode. Het luide ”kok-k kok-k” geroep met het fladderen van de vleugels is niet te missen. De rest van het jaar is de soort minder opvallend, maar toch niet gauw over het hoofd te zien door het bijzondere uiterlijk. Het Noorderbos blijkt een aantrekkelijke omgeving voor fazanten in het broedseizoen, gezien het aantal vastgestelde territoria. In 2 teljaren werden zelfs 8 territoria vastgesteld. Het waarnemen van jonge fazanten is een toevalstreffer. Het uitvoeren van maar 2 tellingen per maand beperkt de trefkansen. In de gehele telperiode is maar eenmaal een uitgekomen broedsel gezien: 6 jonge fazanten in juni 2006. Dit zegt wel iets over de werkelijke reproductie in het gebied. De vele los lopende honden veroorzaken verstoringen van deze en andere bodembroeders. Slachtoffers vallen er ongetwijfeld onder de kwetsbare jonge vogels. Oude jachtinstincten zijn niet te onderdrukken bij deze viervoeters. Ook de plaatselijke vossenpopulatie kan een oorzaak zijn.


 




Figuur 2 .

 
Direct na het broedseizoen daalt het aantal fazanten in het Noorderbos. In november is gewoonlijk een zwakke stijging te zien. Buiten het broedseizoen is het Noorderbos niet aantrekkelijk voor de soort, wijzen de cijfers uit. Zie figuur 3. Ze verspreiden zich dan vooral in de omgeving naar mogelijk betere foerageergebieden! Hoewel fazanten landelijk afnemen, heeft de terugval gedurende de laatste 3 teljaren in het Noorderbos mogelijk een plaatselijke oorzaak. De daling loopt parallel aan het stoppen van het begrazingsproject. Daarbij worden de open delen schaarser door toenemende begroeiing. De komende jaren wordt een (lichte) stijging van het aantal fazanten verwacht in het Noorderbos. Het opnieuw maaien van de graslandjes en het vergroten van de boomloze delen gaan daar aan bijdragen!

 


 Figuur 3 .


Hoewel er gejaagd wordt in het Noorderbos is de fazant geen soort waarop de lokale wildbeheerseenheid schiet! Fazanten worden sinds 1997 niet meer uitgezet in het Noorderbos volgens een jager.


 














Mannelijk fazant in zijn mooiste kleed. 


 


Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




 

woensdag 16 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Patrijs




 
Patrijs uit de collectie van het Brabants Natuurmuseum in Tilburg.
 
 
 
Ad Kolen
 



Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.) In de begeleidende grafieken wordt het totaal aantal waargenomen vogels per jaar (24 tellingen) of per maand (30 tellingen) weergegeven. Bij de broedvogels zijn de per jaar vastgestelde territoria te zien.
 





Patrijs - Perdix perdix


Patrijzen zie je vaak voor je opvliegen of weglopen. Dat beeld met de grijze stuit en de gespreide roodbruine staartveren is uniform voor verschillende soorten partrijzen. Bij determinatiepogingen in Oost-Europa en ten zuiden van Nederland stuitte ik hierop: de rode patrijs, de steenpatrijs en ook de Aziatische steenpatrijs tonen hetzelfde beeld van achteren. Ook niet in Europa voorkomende patrijzen tonen dat beeld. Een beperkt aantal rode patrijzen broeden, na uitzetting in Nederland.


Explosieve geluiden
De (gewone) patrijs, Perdix perdix, waar het hier om gaat, is een prachtige vogel. Perdix, de wetenschappelijke naam van de patrijs, duidt waarschijnlijk op het geluid dat hij maakt. De naam is mogelijk verwant aan het Griekse perdesthai wat ’explosieve geluiden maken’ betekent. Het is niet gemakkelijk een patrijs van dichtbij goed te zien. Als ’jachtvogel’ is hij erg alert. Hij ’drukt’ zich tegen de grond bij gevaar. Het oranje bruine gezicht met grijze hals en borst is typerend. De bruine strepen op de flanken en het bruin gevlekte patroon met strepen van de vleugels maken het beeld van deze ‘compacte’ vogel compleet. Man en vrouw verschillen niet veel van elkaar. De donkerbruine vlek op de buik van het mannetje is bij de vrouwelijke patrijs veel kleiner of ontbreekt soms. Het verenkleed van het vrouwtje is wat doffer. Ze heeft wel een eigen kenmerk: een vage wenkbrauwstreep.


Sterke afname
De patrijs is een standvogel die zich ook buiten het broedseizoen rondom de broedplaats ophoudt. Op de zandgronden en ook op de klei in het zuiden van ons land komt de patrijs verspreid voor. De soort is gebonden aan half open tot open agrarisch land met een voorkeur voor akkers. De dichtheden zijn gewoonlijk laag. In het noorden van Nederland is de verspreiding verbrokkeld en zijn de dichtheden nog lager dan in het zuiden. Rond 1975 was de toen al afnemende patrijs nog een talrijke broedvogel. Hij kwam in het grootste deel van ons land voor. Grote delen van voornamelijk midden- en Noordoost-Nederland zijn ondertussen verlaten door patrijzen. De afname is opgelopen tot 90% van de toenmalige populatie. Door de intensivering van de landbouw - schaalvergroting, veranderde gewaskeuze en gebruik van bestrijdingsmiddelen – werd de patrijs van voedsel en leefgebied beroofd. Niet alleen in Nederland maar in heel West-Europa vindt deze terugval plaats. Het uitzetten van patrijzen leidde in het verleden tot populaties op plaatsen waar hij van nature niet voorkomt, zoals op de Waddeneilanden. Later verdween hij daar ook weer. 







 
Figuur 1.

Nagenoeg voorbij
Aanvankelijk ging het goed met de patrijs in het Noorderbos (zie de figuren 1 & 2.)  Tot en met 2005 lieten verschillende paren met jongen zich zien. Ook in de directe omgeving werd de soort aangetroffen. Er broedden enkele paren buiten de grenzen van het telgebied. Wat de broedvogels betreft, ging het goed tot 2008. Met de aantallen gedurende de rest van het jaar liep het al enkele jaren daarvoor niet zo goed meer. Na 2005 werd een enorme daling vastgesteld. Met nog enkele exemplaren in 2009 ging het verder bergafwaarts, gelijk aan het landelijke beeld. Daarna werden alleen nog losse waarnemingen opgetekend. In 2013 was er nog een paar met 1 jong, dat elders had gebroed. Het was de enige waarneming van de soort dat jaar. Erg verrassend was het 7 patrijzen aan te treffen in 2017 aan het einde van het broedseizoen (04-07-2017). Er bevonden zich jonge vogels in de snel opvliegende groep. Een paar had ergens in de nabije regio een nest jongen weten voort te brengen. Misschien zijn er toch nog mogelijkheden voor de toekomst. Meer openheid door beheersmaatregelen biedt wellicht perspectief.



 
Figuur 2.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


 

dinsdag 15 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Slechtvalk

 
 
 



Ad Kolen




Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.)
 

 


Slechtvalk - Falco Peregrinus



De slechtvalk is een snelle jager, die met krachtige snelle vleugelslagen vogels achtervolgt en ze slaat, gewoonlijk vanaf onderen. De vleugels zijn lang en puntig met een brede basis en de staart is kort. De bovendelen zijn blauwgrijs, de kop en de baardstreep zwart. De lichte borst is fijn gespikkeld, de flanken en de ondervleugels zijn donker gebandeerd.

Tot 1990 zijn slechts enkele broedgevallen van de slechtvalk in Nederland bekend. Door het plaatsen van nestkasten op hoge gebouwen is de populatie vanaf 2012 tot meer dan 100 broedparen gestegen. Ook in oude nesten van de zwarte kraai broedt de slechtvalk. Bij uitzondering broedt hij in bomen of op de grond (Waddeneilanden en de Delta). In de atlasperiode 2013-2015 werden 130-170 broedparen vastgesteld en 500-800 overwinteraars (bron: sovon.nl).

 










 Figuur 1.


Op 2 december 2005 zie ik In de buurt van het oude pompstation een slechtvalk, met in de poten een flinke prooi. De roofvogel verlaat met een hoge snelheid het gebied in noordwestelijke richting. Ook op 23 oktober 2010 is een slechtvalk gezien in het Noorderbos.

 
Op de grens van Tilburg en Loon op Zand staat de in de jaren ‘50 van de vorige eeuw gebouwde ’Mediatoren’ die in de volksmond nog steeds de ’TV-toren’ heet. Eind 2012 is op de bovenste rand van de betonnen toren een nestkast voor slechtvalken geplaatst. Meerdere broedsels vlogen er sindsdien uit. Binnen de grenzen van het Noorderbos wordt de slechtvalk in de jaren daarna dan ook weer waargenomen (zie figuur 1). In 2014 lijkt een paar geïnteresseerd in een van de hoogspanningsmasten in het westelijk deel van het gebied. Ook buiten de telling is de soort daar gezien. In dat jaar broedt de slechtvalk in de nestkast op de TV-toren en krijgt ten minste 2 jongen. In 2016 is viermaal een slechtvalk aanwezig waaronder mogelijk 2 jonge vogels in augustus.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


 

zondag 13 januari 2019

Het Noorderbos en de Vogels 2003 - 2017 Boomvalk





































Ad Kolen





Een reeks artikelen over de vogeltellingen en broedvogelinventarisaties in het Noorderbos bij Tilburg. Van 2003 tot en met 2017 werden alle vogels geteld, twee keer per maand, vanaf een vaste route. Tijdens het broedseizoen volgens de richtlijnen van het Sovon Broedvogel Monitoring Project (BMP.)
 


 


 Boomvalk - Falco subbuteo


 Zomers voedsel
De boomvalk heeft het formaat van de torenvalk. De staart is echter kort en de vleugels zijn lang en spits. Het verenkleed doet denken aan de veel forser gebouwde slechtvalk die echter een stuk groter is. De volwassen boomvalk heeft een rode ’broek’: onderstaart dekveren en het bevederde deel van de poten. Leigrijze bovendelen, een witte halve kraag, de donkere kop en baardstreep onderscheiden de volwassen boomvalk van het meer bruin gevederde jong. De soort is een zomervogel in Nederland: hij is hier vanaf april-mei tot september-oktober. Het voedsel is voor een aanzienlijk deel ook zomers: libellen, sprinkhanen, krekels, kevers en zwaluwen. Soms eet hij ook houtduif en steenuil.


Terugloop van de aantallen
Boomvalken overwinteren in het zuidelijke deel van Afrika. Tijdens de trek lopen de aantallen in Nederland wel op, maar het merendeel van de boomvalken gaat oostelijk aan ons land voorbij. Van klassieke boomvalkgebieden, de heide- en bosgebieden op de zandgronden van het oosten en het zuiden van ons land, verplaatste de soort zich deels naar boerenland in het noorden en het westen. Biotoopveranderingen, predatie door de havik en de afname van prooidieren zijn de oorzaak van het teruglopen van de aantallen van de boomvalk: van 1000-1100 broedparen in 1973-1977 naar 450-700 broedparen in 2013-2015 (bron: sovon.nl).


Figuur 1.

Mogelijk broedgeval in de buurt
De boomvalk is tijdens zes teljaren waargenomen in het Noorderbos (zie figuur 1), elf in totaal. In 2015 twee exemplaren in de nazomer waaronder één roepende. Na één boomvalk in mei 2007 en één in mei 2008 ontbreekt de soort tot 8 augustus 2016.

In juli, augustus en september 2004 is de boomvalk driemaal met 2 exemplaren gezien, waarvan tweemaal in een hoogspanningsmast langs de Burgemeester Bechtweg. Het gaat tweemaal om tenminste één jonge boomvalk, bedelend om voedsel. In de mast is een groot nest. Mogelijk van de boomvalk maar dat is niet bevestigd door waarnemingen. Misschien broedde de soort in het aangrenzend particuliere bos. 



 Reacties naar adkolen@kpnmail.nl