zondag 12 augustus 2012

Van Bergen op Zoom naar Kapelle



Ad Kolen

Vandaag (zondag 12 augustus 2012) een fietstocht gemaakt van Bergen op Zoom naar Kapelle in Zeeland. Gedeeltelijk om een excursie voor de Vogelwerkgroep (KNNV Tilburg) voor te bereiden en anderzijds om een eerder gereden tocht langs de Westerschelde opnieuw te ervaren. Hoewel ik niet de enige fietser ben met die met de trein gaat, is het toch eenvoudig om samen met mijn eigen fiets in Bergen op Zoom te komen. Helaas is zowel op het station van Tilburg als op dat van Bergen op Zoom op deze zonnige zondagochtend nog geen koffie te krijgen. Binnen een uur (09.00 u.) rij ik dus al door het centrum van Bergen op Zoom in westelijke richting. Tussen een mooi park aan de linkerzijde en oude verdedigingswerken rechts gaat de tocht verderop een flink stuk langs ’De Zoom’.

De Zoom:
Ooit had ik de gedachte dat dit riviertje iets te maken had met de naam van de stad. Maar dat is niet zo! De naam Bergen op Zoom heeft meerdere verklaringen, waaronder die van bergen als haven of verwijzend naar de hoogteverschillen door de ligging op de Brabantse wal, en het woord Zoom als zijnde de rand van de Brabantse Wal, dan wel afkomstig van het woord soma, dat moeras betekent.

    Diep onder het bladerdek stroomt het water van de Zoom.

Wat het ontstaan van de Zoom betreft is er ook verwarring. Het is de vraag of je wel van een beek mag spreken. De huidige Zoom wordt namelijk ook Moervaart genoemd, en die naam verraadt het al: deze waterloop is een oeroude, gegraven vaart. aangelegd voor het vervoer van turf (moer.) Daar staat tegenover dat die vaart gevoed wordt door natuurlijk water vanuit de Kalmthoutse Heide, waar ook de Rissebeek ontspringt, die richting Roosendaal stroomt. Het zou dus goed kunnen dat het tracé van de Moervaart ook (deels) de oorspronkelijke loop van zo’n beekje volgt. In Nederland stroomt de Zoom langs Wouwse plantage en mondt uit in de Theodorushaven in Bergen op Zoom. Bovenop het talud van dit diep liggende stroompje groeien meerdere exemplaren van de Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera.)

Krabben en kreukels:
Het oude groene stadsdeel gaat over in grootschalige industrie. Met de jaren is het stuk tot de Binnenschelde helemaal volgebouwd. Aan de linkerkant in een half dicht gegroeid kanaaltje ligt nog een oude loswal uit de tijd dat het een open verbinding was met de Schelde. Met de afwerking van de Deltawerken is het open water waarop nog getijdenbeweging is ver opgeschoven. Pas voorbij de Rijn-Schelde verbinding, achter de Oesterdam bepalen eb en vloed het ritme. Uit mijn jeugd herinner ik me dat we met mijn vader kreukels en krabben gingen zoeken in Bergen op Zoom. Dat was op tamelijk korte afstand van het station. (Mijn vader werkte bij de NS, dus vrijvervoer maakte dergelijke uitstapjes mogelijk.)

Dikke plakaten groene algen op het Zoommeer.


Algentapijten:
Op de Binnenschelde dobberen vele honderden Meerkoeten en Kuifeenden. Aan de andere zijde, op het Zoommeer, ziet het er minder mooi uit. Aan de oever maar ook in het midden drijven dikke pakketten groene algen.

Witte honingklaver.

Witte honingklaver:
Aan de rand van de Molenplaat neem ik de zandweg die aan de noordrand van het Makizaatsmeer grenst. De weg is slecht begaanbaar geworden door de toegenomen begroeiingen. Op het hoogste punt valt de merkwaardige plantengroei op. Vele tientallen vierkante meters zijn hier begroeid met één soort plant, de witte honingklaver (Melilotus alba.) Massaal groeien ze er, of ze gezaaid zijn! Maar wel mooi. De kleine (4-5 mm.) witte bloempjes (vlinderbloemfamilie) staan op lange naar boven gerichte stengels. Die worden steeds begeleid door 3 ovale scherpgerande blaadjes. De witte honingklaver verspreidt een zoete geur. De nectarrijke bloemen trekken talrijk bijen en vliegen aan. Bij droog warm weer ruikt de plant sterkt naar pas geoogst hooi, dat is nu ook het geval!

Kleine vos:
Op de zandweg, vooral op de wat minder begroeide delen is het rijk aan vlinders. Van de vele blauwtjes weet ik niks de te maken. Van een andere vlindersoorten laat steeds een ander exemplaar zich opnieuw zien. Ze zijn echt onrustig, van fotograferen komt niets. De wind speelt daarbij waarschijnlijk ook een rol, als of ze weggeblazen worden. De laatste exemplaren, ik kom tot minstens 12 stuks, laten zich lang genoeg bekijken om de soort op naam te brengen. Het gaat om de kleine vos (Aglais urticae.) De kleine blauwe vlekjes aan de gehele onderrand zijn prachtig. Het oranje daarboven staat als een onvergetelijk contrast in mijn geheugen, afgetekend tegen de witte, gele en zwarte blokken aan de bovenrand. Een pracht beestje, weer een soort erbij die waarschijnlijk zo opvalt in het veld de volgende keer.


Knobbelzwanen ongestoord tussen scheepvaart.


Witgatje en Oeverlopers:
Vanaf het Rijn-Scheldekanaal is er zicht op het Zoommeer, in de verte rond een groene boei dobberen meer dan 30 Knobbelzwanen. Grote schepen die regelmatig voorbij varen maken weinig indruk op deze grote witte vogels. Langs het kanaal rijdende vliegen er regelmatig vogels op vanaf de stenen aan de oevers. Het zijn meest eenden; Wilde eenden en enkele Kuifeenden. Dan een Witgatje en even later 2 Oeverlopers. Nabij het Kreekraksluizencomplex hangt een Torenvalk boven de dijk en drijven tientallen Futen op het water.

Het drukbevaren Rijn-Scheldekanaal.

Grote schepen dichtbij:
Het kanaal verder volgende, en bij de 2e brug naar de andere oever overstekende beland ik uiteindelijk langs de Westerschelde bij Bath. Deze enige volledig open verbinding met de Noordzee wordt druk bevaren met grote zeeschepen die onderweg zijn van of naar de Antwerpse havens. De diepe schepen kunnen niet overal varen en verplaatsen zich door bekende vaargeulen. Soms zie je ze ver weg maar op een paar plaatsen passeren ze dicht onder de dijk. De afstand is dan niet veel meer dan tientallen meters (50-70.)

Buitendijks fietspad:
Binnendijks lopen overal smalle asfaltwegen parallel aan de dijk langs de Westerschelde. Buitendijks is op de geasfalteerde dijk over grote afstanden een fietspad aangelegd. Hier is het goed fietsen, met een stevig windje in de rug en een prachtig zicht op het uitgestrekte water en de schepen.

Onder aan de dijk langs de  Westerschelde zijn slibranden, strandjes, rietvelden en stroken met biezen.

Onder aan de dijk zijn slibranden, strandjes, rietvelden en stroken met biezen. Soms smal, maar ook tientallen meters breed, op plaatsen. Op de wat meer kort begroeide delen ontwaar ik meerdere malen stukken met lamsoor. In de lengte gezien vormt de strook onder de dijk toch een afwisselend landschap. De vele bochten in de brede rivier zorgen voor variatie.

Langs de Westerschelde.

Het aantal waargenomen vogelsoorten is beperkt vandaag, 40 stuks. Het landschap en het uitstekende weer maken het tot een fijne dag met volop genieten.

Tenminste 25 zeehonden op een zandplaat in de Westerschelde.

Zeehonden:
Plaatselijk zijn naast elkaar honderden Kieviten op zoek naar voedsel op de vloedlijn. Het water is afgaande, zag ik al eerder. Iets onder het plaatsje Waarde worden grote zandplaten zichtbaar. De vele, al met het blote oog ontwaarde stipjes zijn wat ik verwachte, zeehonden. Heerlijk genieten ze van de zomerzon. De afstand is behoorlijk groot maar met de kijker zijn tenminste 25 zeehonden te onderscheiden waaronder vele jonge exemplaren. Denkelijk zijn het gewone zeehonden maar op die afstand is het niet met zekerheid vast te stellen. De telescoop staat thuis in de kast! De honderden Rosse grutto’s wat verderop kan ik wel met de kijker determineren.

Containerschip in sluis van het Kanaal door Zuid-beveland.


Boten kijken:
De oversteek van het kanaal door Zuid-Beveland gaat via het grote sluizencomplex. Even kijken naar de bootjes die onwennig tussen de grote containerschepen liggen en zo snel mogelijk de sluis uit varen zo gauw het kan.



Een nieuw en een oud schip:
Verder langs de Westerschelde gaat het onder Hansweert door met prachtige zicht op een groot voorbijvarend schip met op de voorgrond het wrak van een oud schip. Het wordt tijd om richting Kapelle te rijden waar de trein richting Tilburg vertrekt. Nog even wat drinken bij een café naast de prachtige kerk met een met stenen gemetselde torenspits.


16.37 u. vertrekt de trein terug naar huis, met een overstap in Roosendaal zit ik om half zeven aan de pizza op de bank. Nagenietende van een niet zo vogelrijke maar toch prachtige dag die vele onvergetelijke indrukken nalaat van het mooie Zeeuwse landschap!



 

maandag 11 juni 2012

De Wielewaal



Ad Kolen

De tekst van een populair wandelliedje uit de dertiger jaren van de vorige eeuw luidt; ”Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de Wielewaal. En horen wij die muzikant, dan is zomer weer in ’t land.” Het geeft aan dat deze vogel veel voorkwam in het verleden en algemeen bekend was bij de bevolking. Ook nu nog wordt deze prachtige vogel in onze directe omgeving aangetroffen. Hoewel de soort wat minder in het nabij gelegen natuurgebied de Brand werd gezien, dit en het voorgaande jaar, doen zich toch verassende ontwikkelingen voor aan de rand van Tilburg. 
Afbeelding Wielewaal van www.museumdewielewaal.nl
Dudeljo
Zoals gewoonlijk zijn mijn verhalen voor een belangrijk deel gebaseerd op eigen waarnemingen en ervaringen. Het verraste me vorig jaar een Wielewaal te horen in het Noorderbos. Hoewel die waarneming binnen de grenzen van het broedseizoen viel denk je dan niet direct aan een broedgeval. Dit jaar klinkt de zang opnieuw door het Noorderbos ’’Dudeljo, klinkt zijn lied, Dudeljo, en anders niet’’ volgens het liedje. Zowel in de 2e helft van mei als in het begin van juni werd hij gehoord. Volgens de richtlijnen van het BMP (Broedvogel Monitoring Project) van SOVON (zie http://www.sovon.nl/) voldoende voor het vaststellen van een territorium van deze vogelsoort en behoort de Wielewaal dus tot de broedvogels van het Noorderbos! 
Dan is de zomer weer in ’t land
De Wielwaal is een echte zomervogel die van eind april tot in september in ons land verblijft. Gewoonlijk horen we ze hier pas vanaf half mei en is het in augustus al weer ver over. Overwinteren doen ze in het oosten van Afrika. De trekwegen van Europese Wielewalen liggen vooral oostelijk van ons land. In de trektijd, zowel in het voorjaar als in het najaar, worden dus meest in Nederland broedende Wielewalen gezien. Bij het waarnemen van Wielewalen gaat het voornamelijk over het horen van de volle zang. Die klinkt op een toonhoogte die eenvoudig door ons mensen is na te fluiten en waarop de vogel gewoonlijk reageert. Het liedje klinkt half luid en bestaat uit korte variabele strofen van ongeveer één seconde. Elke strofe is een welklinkende jodel van 4 tot 8 vloeiend verbonden nootjes, waaronder 1 of 2 glijnootjes. Tussen de jodels door hoor je soms wat andere geluidjes. 
Hij woont in het dichte eikenbos
Ondanks het opvallende verenkleed worden Wielewalen weinig gezien. Hun leven speelt zich vooral af in het bladerdek van hoge loofbomen. Je krijgt ze vaak alleen te zien als ze in wat meer open gebied naar een andere boom vliegen. De vlucht is golvend. Het voedsel hoofdzakelijk rupsen en vlinders, wordt ook meest hoog in de kroonlaag gevonden. De hoogste kans om Wielewalen te zien ligt in de 2e helft van mei. Dan jagen vaak meerdere mannetjes, 3 soms wel 4, achter een vrouwtje aan. Hun schuwheid valt dan merendeels weg in de strijd om een partner. 
Gekleed in gouden vederdos
Het mannetje Wielewaal heeft een niet te verwarren verkleed. Zwarte vleugels op een geel lijf met een rode snavel zijn onmiskenbaar. Het vrouwtje mist de felle kleuren en is bij minder duidelijke waarnemingen wel te verwisselen met de Groene specht. De meeste spechten vliegen ook in een golvende vlucht. Het vrouwtje Wielewaal heeft echter duidelijk haar eigen kenmerken zoals de groengele bovendelen en de grijs-zwarte vleugels. Ook een gele stuit en een rode snavel zie je niet bij de Groene specht. Op de lichte onderzijde heeft ze duidelijk zichtbare donkere strepen. 
Dalende trend
De laatste landelijke verspreidingsgegevens dateren van rond de eeuwwisseling. Toen kwam men op een populatie van 4000-5000 broedparen. Dit aantal was gehalveerd ten opzichte van de in 1973-1977 verzamelde gegevens. Grote wijzingen werden vastgesteld in de gebieden waar Wielewalen voorkomen, helaas heeft de dalende trend zich voortgezet. Ook de laatste 10 jaar staan ze te boek met afnemende aantallen van 5% per jaar. 
Boszanger
De Wetenschappelijke naam van de Wielewaal, Oriolus oriolus heeft een klanknabootsende oorsprong. Wat Nederland betreft ligt de oorsprong van de naam Wielewaal in het Middenhoogduits; Witewale en het Germaans; Wuduwal-ôn waarvan de elementen woud en galmen of kwelen tot de betekenis ’Boszanger’ leiden. De klanknabootsing komt terug in allerlei streeknamen zoals Wiewouw en Gèle Wiewouw in de Kempen. Waar kan dit verhaal beter mee afgesloten worden dan met het 2e couplet van dit prachtige stimulerende lied; ”Hij woont in 't dichte eikenbos. Gekleed in gouden vederdos. Daar jodelt hij op zijn schalmei. Tovert onze harten blij. Dudeljo, klinkt zijn lied. Dudeljo, klinkt zijn lied. Dudeljo, en anders niet” !
De schamelei is van oorsprong een houten fluit, gebruikt door herders in het Midden-Oosten. Het is de voorloper van de hobo.

Reacties naar adkolen@kpnmail.nl

Kijk ook eens op mijn Weblogs:  http://vogelsenzo-quirijnstokpark.blogspot.com/

donderdag 10 mei 2012

Groen


Ad Kolen

De verschillende getijden die het jaar ons biedt zijn eenvoudig te koppelen aan kleuren. De fleurige zomer aan rood en geel natuurlijk. De herfst aan de verschillende warme roodbruine tinten die dit seizoen sieren. De winter aan wit, hoewel die in Nederland nog wel eens naar grijs nijgt. En groen is allicht de kleur van het voorjaar, van de lente.

Helder licht en contrasten
Ontluikend leven in de natuur begint vaak met vaag wit en lichtgeel om over te vloeien in pril groen. Het begin van een uitgebreid palet van één kleur. De lentemaand april doet volgens een gezegde wat hij wil. Een tocht op de fiets tijdens een avond aan het einde van deze maand leverde me naast een nat pak prachtige beelden op. Hevige regenbuien met donkere wolken trokken al meer dan een uur over. Ergens tussen Sprang-Capelle en Kaatsheuvel is de lucht in het oosten meer zwart dan blauw. Vanaf het westen schijnt de ondergaande zon tussen witte en blauwe wolken door over de omgeving. Het afzwakkende licht is nog helder. Met een zachte roze gloed omzoomt worden vele nuances groen opgelicht. Het gehele landschap staat in sterk contrast met de donkere wolken op de achtergrond.

Nuances in de kleur groen
Aan de rand van de weg bevindt zich een boomkwekerij met verschillende soorten coniferen. De meeste van deze bomen zijn vrij donker groen maar steken sterk af tegen enkele rijen lichte, bijna gele exemplaren van een ander ras. Andere soorten hebben weer licht groene randen met uitlopende jonge scheuten. Daar omheen groeien meerdere soorten grassen in verschillende weilanden. Een strak gemaaid bemest stuk heeft de egaal groene kleur van Engels raaigras. In andere delen staan meerdere grassoorten door elkaar, te zien aan de verschillend gekleurde vlekken. Enkele delen vertonen gele stippen van de paardenbloemen of hebben een licht lila waas over zich van de vele pinksterbloem.

Sprookjesachtig tafereel
De achtergrond, een bosrand die nog het sterkst door de zon beschenen wordt vertoond de meeste nuances in de kleur groen. Met de bijna zwarte wolken erachter komen de donkere toppen van sparren en dennen mooi belicht in beeld. Daartussen springen de frisse bloeiwijzen en uitlopende lichtgroene blaadjes van eiken en andere loofbomen er als lichtjes uit. Het geheel vormt, even maar, een onmiskenbaar mooie schakering aan groene tinten. Het gaat om meerder tientallen verschillende soorten groen door elkaar. Het onderscheid is vaak minimaal maar ieder stukje is anders. Dit alles in sterk contrast met elkaar maakt het zo mooi. Dit groene kleurenfeest met de camera vast leggen lukt me niet. Zelfs voor een schilder lijkt het me ondoenlijk om dit beeld zo lang vast te houden tot de juiste weergave op doek is vastgelegd. Een geconserveerde versie van dit sprookjesachtige tafereel zou zo in de nabij gelegen Efteling passen.

Finishing touch
De finishing touch van deze ervaring wordt door de Groene specht (Picus viridus) geleverd. Van vrij dichtbij klinkt zijn ’duivelslach’. Deze zang is overigens meer te horen dan dat de vogel zich laat zien. Vooral van half maart tot eind mei is de Groene specht vocaal actief. Het geluid van deze vogel bestaat uit een uitbundige reeks van u-klanken; klukklukklukklukklukklukklukklukklukklukklukklukkluk. De veren van de Groene specht zijn naast grijs, zwart en rood uiteraard ook groen gekleurd. Van licht tot vrij donker met verschillende overgangen. Hij past goed in het eerder geschetste sprookjesachtige groene kleurenfeest. Groene spechten verblijven vaak op de bodem waar ze op zoek zijn naar mierennesten, hun voornaamste voedselbronnen. Met hun lange kleverige tong halen ze mieren en ook hun poppen, laven en eieren uit de nestkamers. Daarnaast eten ze ook wel kevers, vliegen en rupsen.

Groenling in het groen
Verder op richting Tilburg, in Loon op Zand, komen nog meer groene elementen in beeld. Op een kruising aan de Hoge steenweg klinkt vanuit een forse Amerikaanse eik de zang van een Groenling (Chloris chloris.) Het liedje van deze vinkachtige vogel is een kenmerkend geluid. Het bestaat uit luide, langgerekte, nasale rasptonen die dalen in toonhoogte. Het vrouwtje van deze soort is naast het geelgroen meest grijsgroen van kleur met zachtgele zijvlekken. Het mannetje met een overwegend geelgroen verenkleed met grote gele zijvlekken op staart en vleugels valt niet op in deze bloeiende boom met nagenoeg dezelfde kleuren.  De vogel gaat op in een zee van jonge blaadjes en bloemen die geelgroen tot lichtgroen van kleur zijn. Ook deze boom, die ik dagelijks voorbij rij, is met deze lichtval een klein visueel wonder.


dinsdag 1 mei 2012

Toppers



Ad Kolen

Het IJsselmeer is een supergrote zoetwaterbaai. Een van de grootste van West-Europa. Naast een nieuwe vorm van visserij heeft het meer vooral betekenis gekregen voor de recreatie en de watervogels. Als Natura 2000-gebied heeft het IJsselmeer natuurbelang van Europese betekenis. Voor zeker 25 vogelsoorten is dit grote water belangrijk. Ondanks de intensieve visserij is het een belangrijk foerageergebied voor viseters als Nonnetje, Grote zaagbek, Zwarte stern, Fuut, Grote stern, Dwergmeeuw en Aalscholver. In het najaar en de winter verblijven er vele duizenden vogels om te ruien, te rusten en te foerageren. Driehoeksmosselen zijn dan het belangrijkste voedsel voor Kuifeend, Tafeleend, Brilduiker en Topper.

MS ’Friesland’
In maart (de 10e) ging een groep Tilburgse vogelaars (Vogelwerkgroep KNNV Tilburg) met motorschip ’Friesland’ het IJsselmeer op om het fenomeen van de overwinterende Toppers te aanschouwen. Voor Brabanders een geweldige ervaring, zoveel water met zoveel vogels erop. Aanvankelijk was het koud en winderig. Later toen de zon doorbrak was het goed toeven en genieten op het bovendek. Vanaf Enkhuizen voer deze ’voormalige veerboot naar Terschelling, 5 uur over een deel van het westelijk IJsselmeer en om het kunstmatig aangelegde eiland Kreupel.

Van Zuiderzee naar IJsselmeer
Met het gereed komen van de Afsluitdijk in 1932 kwam een einde aan de Zuiderzee. Het vrij spel was voorbij, geen getijdenbewegingen meer en binnen 2 jaar verzoette het water. Via de IJssel stroomde er alleen nog maar Rijnwater in en door het IJsselmeer. Na de drooglegging van de Noordoostpolder en de Flevopolders kwam in 1976 de dijk Enkhuizen Lelystad gereed en ontstond het Markermeer. Hiermede werd het overgebleven IJsselmeer in tweeën gedeeld. Het huidige IJsselmeer is het 1100 vierkante kilometer grote water tussen Noord-Holland, Flevoland en Friesland. In de Zuiderzeetijd was het voornamelijk een belangrijk viswater, nu spelen meerdere belangen een rol.

Markerwadden
Inpoldering was het uiteindelijke doel van de aanleg van het Markermeer. Het meer ligt tussen Noord-Holland en Flevoland en werd vernoemd naar het in het zuidwesten gelegen schiereiland Marken. Het meer is 700 km2  groot en op de meeste plaatsen 2 tot 4 meter.  Het doel, nieuw land verwerven is nooit gerealiseerd. In het Markermeer treedt ’s zomers een verslechtering van de waterkwaliteit op. Er zweeft een enorme hoeveelheid slib in het water die het bodemleven verstikt en waardoor helder water amper nog voorkomt. Met als gevolg dat de driehoeksmosselen onvoldoende licht krijgen. Driehoeksmosselen zijn het voedsel voor Kuif- en Tafeleenden en de Toppers. Al lang wordt er na gedacht over hoe de waterkwaliteit verbeterd kan worden.

Op 9 februari 2012 werd door Natuurmonumenten het plan ’Markerwadden’ gepresenteerd. Met ondersteuning van 15 miljoen euro van Nationale Postcodeloterij kan een begin gemaakt worden aan dit grootse plan waarvan het 1e deel in 2018 naar verwachting gereed zal zijn. De opzet is om met het slib een groep eilanden aan te leggen bestaande uit zandplaten, wilgenbossen, moeras en stukken open water. Een paradijs voor vogels zoals meeuwen en Aalscholvers maar ook zeldzame soorten zoals de Krooneend en de Zwarte ooievaar, en een thuis voor bever en otter. Maar ook rust en ruimte biedend aan de vier miljoen mensen die rondom het Markermeer en het aangrenzende IJmeer wonen.

Toppers in de lucht.

Toppers
De Topper is een overwinteraar in ons land, voornamelijk op het IJsselmeer en omgeving. In milde winters zijn het er slecht enkele duizenden. In strenge winters lopen de aantallen op tot maximaal 62.000. In februari van dit jaar werden, bij veel ijs bij de Afsluitdijk 52.000 Toppereenden geteld vanuit een vliegtuig. Slechts eenmaal nam ik deze soort waarin de buurt van Tilburg. Dat was vele jaren terug, in een strenge winter, tijdens een wintervogeltelling in de Gansooiense Uiterwaard bij Waalwijk.

Toppers leven voornamelijk van Driehoeksmosselen. Die groeien op een harde ondergrond zoals zwanenmosselen en oude schelpen. Ze lijken wel wat op de mosselen die wij eten. Ze zijn wel kleiner. Vooral de kleine zijn het meest geliefd. Die maat is eenvoudiger te kraken.

Broeden doen Toppers in het binnenland, op IJsland in Scandinavië en op de taiga’s en toendra’s van Noord-Rusland. De Topper lijkt in eerste instantie wel op de bij ons algemeen voorkomende Kuifeend. Ze liggen echter dieper in het water en zijn iets kleiner. Naast het ontbreken van de kuif zijn een breder lichaam en snavel duidelijke verschillen. Het mannetje Topper heeft en zware nek en kop met een groene zweem erover. Het meest duidelijke verschil is de grijze rug die zwart is bij de Kuifeend. De bruine vrouwtjes hebben een grote bles om de snavel, vrouwelijke Kuifeenden hebben soms ook wat wit om de snavel. 

Kuifeenden of Toppers
Aanvankelijk is het wat grauw en bewolkt. Toch is er van alles te zien. Het begint met het opvliegen van een Houtsnip vanaf de stenen dijk om de haven van Enkhuizen. Daarna zijn heel goed de voorbij vliegen vogels te zien. Prachtige is het om het vliegbeeld van Grote zaagbekken, Brilduikers, Nonnetjes, Smienten, Krakeenden en Tafeleenden te kunnen volgen, soms langdurig. Regelmatige zien we vrij ver weg grote groepen eenden opvliegen waarvan het niet duidelijk is of het Kuifeenden of Toppereenden zijn.


Kreupel
Kreupel is het kunstmatige eiland wat 4,5 km uit de kust van Andijk is opgeworpen met het slib wat vrij kwam bij het uitdiepen van de vaargeul tussen Amsterdam en Lemmer. Wat de vaartocht betreft wordt het pas na enkele uren echt interessant. Nabij het eiland worden grote groepen Toppereenden gezien.  Soms naderen ze de boot wat dichter en zijn ze duidelijk als zodanig te herkennen. Het zijn er vele duizenden. We krijgen een goede indruk van de aantallen die hier overwinteren, heel veel! Ook de Aalscholvers zijn er bijzonder talrijk. In dichte langgerekte drommen trekken ze massaal voor het schip langs, enorme hoeveelheden.

We varen tweemaal om het eiland wat met rijen stenen is verstevigd. In het midden, vol met Aalscholvers, is een bolle vorm te zien met een groene waas erover. Dat verdwijnt weer later in het jaar. Op de wat vlakkere delen broeden vele Aalscholvers op de bodem. Ze gebruiken daarvoor al het plantaardig materiaal dat ze maar kunnen vinden. Soms zijn de nesten behoorlijk hoog, flinke stapels takken zijn het.



Het eiland wordt zoveel mogelijk door vrijwilligers vrijgemaakt van allerlei opschietende bomen en struiken. Dat is vrij aardig gelukt deze winter. Alleen rijen braamstruiken zijn blijven staan. Die geven Grauwe en Canadese ganzen juist voldoende beschutting om te broeden. Meerdere paren van beide soorten worden tijdens het voorbij varen ontdekt.

Nagenoeg iedereen ziet de Slechtvalk die even boven het eiland hangt en snel weer uit het beeld verdwijnt. Een Zwartkopmeeuw en een Geelpootmeeuw worden slechts door enkele gezien.


 
Op de terugweg worden tijdens een kort lezing in het vooronder, wetenswaardigheden over het IJsselmeer, de Toppers en hun voedsel, de driehoeksmosselen vrijgegeven. Na de indrukwekkende ervaringen tijdens de vaartocht lopen we nog ruim een uur door het mooie Enkhuizen. Meerdere schitterende kerken en de bijzondere Dromedaris maken het de moeite waard.


Zuiderkerk Enkhuizen

dinsdag 24 april 2012

Bonte gele dovenetel




Ad Kolen

Prachtige plaatjes, gele bloemen op de voorgrond met een historisch gebouw er achter. Mooier kun je het niet voorstellen. Boven de 'Sint Jan onthoofding kerk' en onder het 'Witte kasteel', beide in Loon op Zand.



Vorig jaar is de Kasteelweide 'opgeknapt'; gras in gezaaid, omzoomd met stenen banden, bankjes geplaatst en drainage aangebracht. De aan de Kasteellaan grenzende houtsingel werd uitgedund en van verschillende planten voorzien. Geheel klaar voor allerlei evenementen.

Dagelijks rij ik er tweemaal aan voorbij op de fiets. Dan ineens vallen de gele bloempjes op. Hele drommen zijn ontsproten tussen de narcissen en de nog iele varens. Ze zijn er niet aangeplant maar kwamen er al voor. De 'opknapbeurt' gaf ze ruimte en wat meer licht.

De bonte gele dovenetel (Lamiastrum galeobolon argentatum) is een ondersoort van de gele dovenetel. Het is een cultivator die veel in verwilderde vorm op nog al wat plaatsen in onze omgeving voorkomt.


 De plant groeit op half beschaduwde tot beschaduwde plaatsen in loofbossen vaak op plaatsen die door tuinafval zijn bemest.

De bonte gele dovenetel heeft anders dan de groene bladeren van de gele dovenetel, vele, vrij grote witte of zilverige vlekken op de bladeren.  De vlekken sluiten vaak onderling aan elkaar.


Dovenetels lijken op brandnetels maar de bladeren hebben geen brandharen die prikken. Ze zijn zelfs geen familie van elkaar maar de gelijkenis is zo sterk dat ze vroeger de naam Urtica mortua (dode brandnetel) hadden. De grote brandnetel heeft de wetenschappelijke naam Urtica dioica L. eb de kleine Urtica urens L.

zondag 8 april 2012

Oeverzwaluwwand weer ingestort!


Ad Kolen

Vorige week vrijdag (30 april) heb ik de Oeverzwaluwwand in de Dongevallei in de Reeshof te Tilburg voor een deel afgestoken. Met schop en hak werd een wat stevig uitziende deel van de bestaande wand bewerkt. Een deel van de wand, over een lengte van ruim 5 meter, was weer verticaal tot een hoogte van meer dan 1,5 meter.

In het begin van vorig jaar was het geheel van een flinke laag extra zand aan de voorzijde voorzien. Helaas werd opnieuw 'laagwaardig' zand gebruikt met als gevolg instortingen van de wand met daarin bewoonde nesten.

Om dit broedseizoen voor Oeverzwaluwen niet opnieuw verloren te laten gaan ondernam ik actie vorige week. Mijn spierpijn ten spijt was het echter vergeefs werk. Vandaag zagen we tijdens de broedvogeltelling dat het bewerkte stuk weer geheel was ingestort.

Het zand is zo los dat het echt niet geschikt is voor een broedwand voor vogels. Ook voor het opvullen van een permanente broedvoorzienig, opgetrokken uit stenen is het niet geschikt. Het gevolg zal inwendige instortingen zijn in de nestgangen als het toch gebruikt gaat worden!


Op de bovenstaande foto zijn de beschadigde nestgangen van de broedpogingen van de Oeverzwaluwen te zien. Door de vele instortingen was de wand niet meer horizontaal en konden konijn, over mogelijk predatoren als de vos of Zwarte kraaien de nesten uitgraven! Daar ze vroeg waren begonnen is het wel mogelijk dat enkele nesten al waren uitgevlogen!

woensdag 4 april 2012

De Fitis, een indrukwekkende kleinigheid!


Fitis.                                                                    Foto: van internet.

Ad Kolen

De Fitis (Phylloscopus trochilus) is een grijsachtig bruingroen vogeltje (11-12,5 cm groot) met een geelwitte onderzijde. De Tjiftjaf (Phylloscopus collybita) en meerdere andere zomervogeltjes lijken daar op eerste gezicht nogal op. De kleur van de poten, meestal licht bij de Fitis en gewoonlijk donker bij de Tjiftjaf zou het onderscheid tussen deze 2 soorten kunnen zijn. Maar daar zijn uitzonderringen op. De zang is derhalve het beste en snelste determinatiekenmerk om deze nauwe verwanten uit elkaar te houden.

Kleine details
Toch zijn er wel meer kleine details die het onderscheid tussen Fitis en Tjiftjaf uitmaken. Door de ongedurige bewegingen die beide, toch wel kleine vogelsoorten maken zijn die echter nauwelijks waar te nemen. Bij goed zicht is een opvallende lichte wenkbrauwstreep te zien bij de Fitis. Het vage lichte streepje boven het oog van de Tjiftjaf valt nauwelijks op. Met de staart omlaag slaan is gedrag wat bij de Fitis ontbreekt maar bij de Tjiftjaf regelmatig gezien kan worden. Vogelringers, kunnen met de vogel in de hand, aan de handpennen zien om welke soort het gaat. Deze grootste slagpennen in de vleugels zijn bij de Fitis langer.

Zang als een neerdwarrelend blad
Het kenmerkende liedje van de Fitis begint met slagen die lijken op die van een Vink. Ze worden plots afgebroken en eindigen in een ietwat melancholiek, treurig klinkend deuntje wat in volume en toonhoogte af neemt. Verder wordt deze zang vaak als zoet en weemoedig omschreven of als een neerdwarrelend blad. De zang van de Fitis is het meest uitbundig bij zonnig weer. Sommige mensen horen in het liedje; ”Het is nu wel zonnig, maar straks gaat weer het re-ge-nen”! Zelf als ze niet zingen is voor ‘getrainde oren’ onderscheid te horen. Tussen de roepjes van de Fitis en de Tjiftjaf is een subtiel verschil waar te nemen. De zachtere roep van Fitis klinkt vragend. Die van Tjiftjaf is als uitroepend te omschrijven! Het trage monotone herhalen van zijn naam, in de zang van de Tjiftjaf behoeft geen nadere uitleg. Toch hebben mensen die de 1e keer op dit liedje gewezen worden er wel moeite mee het uit andere geluiden te onderscheiden.










                              



                                Sonogram van de Fitiszang.

Zomervogel
Fitissen zijn zomervogels waarvan de eerste eind maart vanuit het winterverblijf in tropisch Afrika bij ons terug keren. Tot in mei gaat dat door. Aanvankelijk zijn daar veel doortrekkers bij. Pas later, verder in april, is het aantal zingende vogels van een stabiel aantal, de broedvogels dus. Die laten zich tot ver in mei onophoudelijk horen. Vanaf eind mei en verder in juni en juli wordt het langzaam stiller en stiller. Vanaf eind juli tot in september verlaten Fitissen onze streken weer voor een lange tocht naar Afrika, ten zuiden van de Sahel. Hoewel er erg veel Fitissen door ons land trekken worden ze nauwelijks opgemerkt. Ze trekken vooral tijdens de nacht, in de ochtend wordt daar soms nog een staartje van waargenomen. Deze doortrekkers komen vooral uit Noord-Duitsland, Denemarken en Scandinavië. Daar broeden 15 tot 20 miljoen paren.

Achtste in de top tien
Fitissen zijn levendige en rusteloze vogeltjes, die door boomkruinen en struiken struinen op zoek naar eten. Hun voedsel bestaat uit een grote diversiteit aan insecten die ze oppikken van bladeren en twijgen. In Noord- en West-Europa is het een van de talrijkste vogelsoorten. Het broedgebied strekt zich verder uit via Scandinavië tot in Oost-Siberië. In Nederland broeden wel en half miljoen paren. Daarmee staan ze op de 8e plaats in de top tien van de Nederlandse broedvogels. De Tjiftjaf is nog talrijker. Die staat met 550.000-600.000 broedparen op de 5e plaats.

Het nest, een overdekt bouwsel
Het nest van de Fitis is een overdekt bouwsel van grassen, plantenstengel, wortels en mossen. Het is bolvormig met een naar beneden gerichte zijingang. De binnenkant is met fijnere stengels, wortels en veren afgewerkt. Het ligt verborgen tussen de bodemvegetatie of onder lage bladerbedekking aan de randen van bomen en struiken. Ook onder struiken of aan de voet van een heg bouwen ze hun nest en soms iets boven de grond.

Afbeelding van het nest van een Fitis uit Elseviers Broedvogelgids.


Toenemende aantallen
Het indrukwekkende van de Fitis zit hem voor mij in het gedrag. Hij weet zijn plaats te vinden in een veranderend biotoop. Wat na de opeenvolgende natuurlijke processen of door ingrepen als beheer meer of minder geschikt wordt als broedgebied. De biotoop van een Fitis is een open gebied met wat bomen en struiken. In jonge bossen kan de soort enorme dichtheden bereiken. In het Noorderbos ten noorden van Tilburg en in de Dongevallei in de wijk De Reeshof werd vastgesteld dat de voorwaarden voor deze soort steeds beter worden. De aantallen territoria nemen voortdurend toe, tot op heden. In de Dongevallei steeg het aantal territoria van 8 in 2004 naar 14 in 2011. In het Noorderbos van 8 in 2003 naar 30 in 2011. In de Dongevallei worden volgens beheersafspraken grote delen open gehouden. Als dit beheer wordt gecontinueerd zal waarschijnlijk een zekere stabiliteit ontstaan in het jaarlijkse aantal broedende Fitissen. Buiten het maaien van de paden en wat extensieve begrazingen wordt in het Noorderbos nauwelijks beheer uitgevoerd. Wanneer zal hier de stijging van het aantal territoria ophouden? Een boeiende vraag die de toekomst zal uitwijzen. Naar verwachting heeft de populatie broedende Fitissen in het Noorderbos de top nog niet bereikt.

Dalende aantallen broedvogels
Snuffelen in oude gegevens, verzamelt in het Quirijnstokpark in Tilburg Noord leveren een voorbeeld op van het ongeschikt worden van een gebied voor deze vogelsoort. Het Quirijnstokpark is in 1975 gereed gekomen. In het nog kaal en open park kwam de Fitis natuurlijk volop voor. Gegevens van de jaren 1987 tot 1995 laten een dalend aantal broedvogels zien, van 6 naar 1 territorium. Daarna ontbreken van enkele jaren de gegevens. Onregelmatige, later verzamelde cijfers wijzen uit dat de soort er in 2001 nog broedde (2 territoria), in 2003 niet, in 2007 ook niet en 2008 weer wel (1 territorium) en in 2009 weer niet. Wat duidelijk maakt dat met het toenemen van het volume van de bomen en struiken de biotoop minder en uiteindelijk ongeschikt wordt voor Fitissen. Oplevingen tussendoor hebben te maken met grote snoei- en kapactiviteiten in het park. Toen was het weer even meer open!

Het Quirijnstokpark, waar de Fitis niet meer voor komt!

Terwijl de Fitis het veld ruimde vond een soort als de Boomklever in het Quirijnstokpark ondertussen een nieuw leefgebied. Al met al interessante ontwikkelingen die het ’vogelen’ zo leuk en steeds boeiender maken.

Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


Kijk ook eens op het weblog: vogelsenzo; Quirijnstokpark  
                        http://vogelsenzo-quirijnstokpark.blogspot.com/