zondag 10 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Bosrietzanger

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen



Bosrietzanger
Acrocephalus palustris - broedvogel


Talrijke zangimitaties

De bosrietzanger is een zomervogel en heeft het formaat van de kleine karekiet (12,5 cm). Het verenkleed is vergelijkbaar: beide vogels hebben egaal bruine bovendelen en crèmekleurige onderdelen. Kleine onderscheidende details zijn het ontbreken van een oogstreep, een kortere snavel en een bollere kop bij de bosrietzanger. De zang geeft het meest duidelijk uitsluitsel. Het liedje van de bosrietzanger is zeer gevarieerd en bevat een groot aantal imitaties van andere vogels. Hij doet zowel vogels uit zijn Afrikaanse overwinteringsgebieden na als ook de vogels die hij tijdens zijn zomerverblijf ontmoet. Het ’karekiet-geroep’ van de kleine karekiet is soms ook in het liedje van de bosrietzanger te horen. Dat kan wel even tot verwarring leiden. In al zijn veelzijdigheid is het lied toch een eigen geluid van de bosrietzanger dat hem van andere vogelsoorten onderscheidt.


Van mei tot augustus

Nederland ligt aan de noordwestelijke verspreidingsgrens van de bosrietzanger. In het Verenigde Koninkrijk broeden momenteel nog geen 10 paren. De meeste bosrietzangers komen half mei in Nederland aan en verlaten ons al in augustus. Het is een kort verblijf waarin ze één legsel grootbrengen. Het grootste deel van het jaar verblijven ze in het overwinteringsgebied in het oosten van Afrika ten zuiden van de evenaar. Bosrietzangers broeden vooral in verruigde moerassen, brandnetelvelden en andere dichte ruigtevegetaties; vaak op natte kleigronden en plaatselijk doen ze het ook goed op de Brabantse zandgronden. De landelijke stand van de broedvogels in Nederland is sinds 1990 tamelijk stabiel op wat regionale verschillen na. De huidige stand (2013-2015) is 60.000-100.000 broedparen. Tijdens de eerste atlasperiode (1973-1977) broedden de meeste bosrietzangers in het oosten en zuiden van het land. Het aantal broedparen was toen veel lager: 15.000-22.500. (bron: sovon.nl)







Figuur 105: alle waarnemingen (25) van bosrietzangers per jaar met het totaal boven de kolom.


Afname door woningbouw

De bosrietzanger is maar korte tijd in Nederland en hij laat zich in die periode nauwelijks zien. Het determineren van de bosrietzanger komt vooral neer op het herkennen van zijn zang. De trend van zijn aanwezigheid in de Dongevallei is schommelend, maar aanvankelijk zit er een stijgende lijn in. Zie figuur 105. Deze wordt in 2015 abrupt afgebroken. Grenzend aan het zuidwesten van de Dongevallei liggen twee brede stroken braakliggende gronden. Delen hiervan worden soms afgezet, waarbij opschot van struiken en kleine bomen blijven staan. Deze stroken, maken regelmatig deel uit van het biotoop van de bosrietzanger en ook van de spotvogel en de grasmus. Deze vogelsoorten vestigden daar ook een territorium. In 2015 zijn deze stroken kort afgezet en bouwrijp gemaakt voor woningbouw. Dit heeft invloed op de aantallen territoria. In 2016 is een eenmalige waarneming voldoende voor het vaststellen van een territorium in het middendeel nabij de Reuverlaan. Daarna ontbreekt de soort. De oorzaak daarvan is niet helemaal duidelijk. Sommige delen (inclusief aangrenzende delen) zijn ongeschikt geworden, maar andere stukken lijken juist wel geschikt te zijn.







Figuur 106: alle vastgestelde territoria (19) van bosrietzangers per jaar met het totaal boven de kolom.


Meeste waarnemingen binnen datumgrenzen

Zoals ook landelijk vallen de meeste waarnemingen van de bosrietzanger in de Dongevallei van mei tot en met augustus. Slechts één waarneming tijdens de gehele reeks was in april, op zaterdag 25 april 2009. Het totaal aantal waarnemingen van de bosrietzanger is 25. Het aantal vastgestelde territoria bedraagt 19. Zie figuur 106. Deze getallen liggen niet ver uit elkaar. Eén zangwaarneming binnen de datumgrenzen 10 mei en 20 juli is voldoende voor het vaststellen van een territorium. De meeste waarnemingen vallen dan ook binnen de datumgrenzen.



Bosrietzanger 2012: 4 territoria in het zuidelijke deel.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


                                                     

vrijdag 8 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Grote lijster



   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Grote lijster
Turdus viscivorus


Droge ratel

Een grote, zwaar gebouwde lijster met lange vleugels, een lange staart en een zwaar golvende vlucht is het beeld van de grote lijster. De rug en de staart hebben bruingrijze tinten in verschillende nuances. De buitenste staartpennen zijn aan het einde wit, een typische uitzondering voor een lijster. De onderzijde is voor een groot deel wit met uitzondering van de geelwarme borst en flanken. De gehele onderzijde is afgezet met zwarte ronde vlekken, die naar het gelaat toe wat kleiner worden. De grote lijster laat al in februari een langgerekte, droge ratel horen. Hij is daardoor zeer herkenbaar. Vanaf hoge plaatsen, toppen van flinke bomen, zingt hij ook al vroeg zijn wat weemoedige lied. Behoorlijk luid draagt hij korte strofen met een warme volle stem voor met weinig verschil in toonhoogte.


Karig rondom Tilburg

Aan het begin van de 20e eeuw is de grote lijster een schaarse broedvogel in Nederland. Ruim een halve eeuw later nemen de aantallen en de verspreiding over het land toe. Rond 1995 is een gestage afname ingezet. Dat is o.a. het gevolg van de afname van voedselgebieden op de zandgronden door verdroging van graslanden en de opkomst van maisvelden. Het aantal landelijk vastgestelde broedparen in de periode 2013-2015 bedraagt 10.000-12.000. In de winter verblijven er 5.000-20.000 grote lijsters in ons land en tijdens de trekperiode 10.000-50.000. Ze melden zich al in februari, goed hoorbaar. (bron: sovon.nl) De grote lijster is in Tilburg als broedvogel en ook de rest van het jaar flink in aantallen afgenomen, is mijn ervaring. Hij is hier maar in lage aantallen aanwezig.






Figuur 104: alle waarnemingen (17) van grote lijsters per jaar met het totaal boven de kolom. Grote lijster.


Beperkt aantal waarnemingen in de Dongevallei

De grote lijster is in zeer beperkte aantallen waargenomen in de Dongevallei: slechts 17 waarnemingen, verspreid over negen teljaren. Zie figuur 104. Tijdens vijf jaren 1 exemplaar en van 2 tot 5 exemplaren in de overige vier jaren. De waarnemingen waren redelijk verspreid over de maanden van de verschillende jaren.



Reacties naar: adkolen@kpmail.nl



De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Koperwiek

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen



Koperwiek

Turdus iliacus


Gefrazel

De koperwiek en de zanglijster hebben gelijkenis met elkaar. Het formaat is bijna hetzelfde en de bovenzijde van beide soorten is bruin. De toch wel iets kleinere koperwiek valt vooral op door de witte oogstreep en de witte mondstreep. De naam koperwiek komt van de koperkleurige (roestbruine) veren onder de vleugels, die doorlopen tot op de flanken. De zanglijster heeft ook roestkleurige veren onder de vleugels. Die zijn echter lichter en alleen zichtbaar als hij vliegt.


De zang van de koperwiek wordt wel omschreven als ’gejammer’. Het bestaat uit steeds weer herhaalde klaagzinnetjes. Zijn liedje is weemoedig, een tweeledig zacht dalende reeks van zuiver gefloten tonen. Terugtrekkende koperwieken laten in maart en april al wat van hun liedje horen. Het gefrazel is een onverstaanbaar gemurmel en bestaat uit zachte geluidjes en een zacht geprevel.


Bovenmatige trekvogel

Waarnemingen een koperwiek in Nederland tussen half mei en begin september is zeldzaam. Hij broedt niet in ons land. Eind september of begin oktober verschijnen de eerste trekvogels. Half oktober trekken bij gunstige weersomstandigheden massaal koperwieken over. Ze trekken zowel langs de kust als door het binnenland en ook gedurende de dag en in de nacht. Naar schatting gaat het om 200.000-1.000.000 exemplaren (2008-2012). In het westen en zuiden van het land verblijven in de winter wat meer koperwieken. De winteraantallen variëren van 25.000 tot 100.000 exemplaren. (bron: sovon.nl)


Vrij schuwe vogel

De koperwiek is niet altijd goed te herkennen. Hij is vrij schuw en vindt zijn voedsel vaak op de bodem. Bij geringe verstoring vliegt hij al door de lage begroeiing weg. Meestal voordat je weet welke vogelsoort het is. Langdurige veldervaring is daarbij van betekenis. De vluchtroep die hij soms laat horen, een hoog langgerekt ’ziehh’, is behulpzaam bij de herkenning. De koperwiek is een onregelmatige wintergast in de Dongevallei. Zie figuur 103. Tijdens ongeveer de helft van de jaren van de tellingreeks is de koperwiek gezien. Van oktober tot half maart. In de helft van de jaren maar enkele exemplaren. Hij is in veel lagere aantallen aangetroffen dan de andere typisch wintergast de kramsvogel. Daarvan zijn er in totaal 299 exemplaren geregistreerd, van de koperwiek waren dat er 116. De meeste waarnemingen zijn laag van aantal, tussen 1 en 7 stuks. Daarnaast zijn nog groepen van 22, 12 en 2 van 18 koperwiek waargenomen.








Figuur 103: alle waarnemingen (116) van koperwieken per jaar met het totaal boven de kolom.







De schaarse waarnemingen van de koperwiek zijn gewoonlijk in de open delen van de Dongevallei. Het grote eiland noordelijk van de Reuverlaan was aanvankelijk één daarvan. Daar zijn in de eerste jaren van tellingenreeks Hollandse landgeiten ingezet om dit deel open te houden. De geiten leverden ook een aandeel in het bestrijden van de exoot het parelvederkruid.



Na de begin jaren van de tellingenreeks ontbreekt gerichte begrazing en worden dunningen al heel lang niet meer uitgevoerd. Het eiland is inmiddels dan ook nog nauwelijks begaanbaar. 



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


  

donderdag 7 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Zanglijster

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Zanglijster
Turdus philomelos – broedvogel


Zingt vanaf een zangpost


De zanglijster is een typische lijster met een bruine rug. Hij is wat kleiner dan de merel en kan soms in de hectiek voor een vrouwtje merel worden aangezien. De borst en de flanken van de zanglijster zijn geelbeige. De buik is wit. Nagenoeg het hele onderdeel is bedekt met zwarte pijlpuntvormige vlekken. De ondervleugels zijn rossig beige. Hij vliegt met licht golvende bewegingen. Om zijn liedje te verkondigen neemt hij een zangpost in, gewoonlijk goed zichtbaar hoog in een boom. In bebouwde omgevingen gebruikt hij daar soms een puntdak of een goot voor. Daar bevestigt hij zijn aanwezigheid door de goed herkenbare zang te laten horen. De strofes zijn variabel, maar één en dezelfde strofe wordt steeds meerdere malen herhaald. 


Foto: 11 nov. 2009. In deze periode zijn enkele malen uitgevoerd met schapen. 
In deze omgeving vestigde de zanglijster enkele  malen een territorium.


Toename met vermindering op de zandgronden

Gevarieerd loofbos is de meest ideale broedbiotoop voor de zanglijster. Hij broedt echter overal waar voldoende bomen en struiken staan. Ook jonge aanplant en groene stadswijken ervaart hij als ideaal. Strenge winters die doordringen tot in Zuid-Europa verminderen de aantallen zanglijsters flink. Dit trekt weer snel bij tijdens kwakkelwinters. Ver terugkijkend zijn de landelijke aantallen toegenomen, behalve op de hoge zandgronden. Daar namen ze af. De landelijke broedpopulatie van zanglijsters in de periode 2013-2015 bestaat uit 110.000-180.000 broedparen. Veel wijkt dit niet af van de stand rond 1973-1977 met 100.000-160.000 broedparen. In het najaar, van eind september tot eind oktober, trekken 50.000-200.000 zanglijsters over ons land (gegevens uit 2008-2012). Het aantal overwinteraars wordt geschat op 5.000-12.000 (2013-2015). (bron: sovon.nl)






Figuur 102: alle waarnemingen (64) van zanglijsters per jaar met het totaal boven de kolom.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



woensdag 6 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Kramsvogel

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Kramsvogel
Turdus pilaris


Een onmiskenbaar mooie vogel

Het tsjak-tsjak klinkt massaal als een groep kramsvogels overvliegt. Het is een kenmerkende roep. Bij alarm laten ze een ratel horen. De kop van de kramsvogel is grijs met een vuilwitte wenkbrauwstreep en de wang is opvallend getekend. De bruine rug en vleugels steken af tegen de lichtere, grijsblauwe onderrug en stuit. De daaropvolgende zwarte staart maakt de bovenzijde van de kramsvogel rijk aan contrast. De onderzijde van de vleugel is voor de helft wit en steekt duidelijk begrensd af tegen de donkere punt. De borst is oranje en de flanken zijn beige. Beide zijn bedekt met flinke bruine vlekken die van dichtbij gezien puntig zijn. Kortom, onmiskenbaar een mooie vogel, in het bijzonder als de zon op hem schijnt.


Gast in onregelmatige aantallen

In juni 1990 heb ik met voedsel pendelende kramsvogels gadegeslagen in het Zuid-Limburgse Bunde. In het naburige bos vinden circa 30 paren een broedplek. Vanuit Duitsland is een populatie kramsvogels gekoloniseerd. Voor 1974 is het een incidentele broedvogel in Nederland. Rond 1986 broeden er circa 800 paren. Later komt er om onbekende redenen de klad in en stort de broedpopulatie geheel in. Ook in de Ardennen nemen de aantallen af. Nu broeden er nog 10-25 paren in Nederland. In de winter verblijven nog vele kramsvogels uit Noord-Europa in ons land. Ze komen vooral af op vruchtdragende struiken en komen bij plotselinge koude en sneeuwval zelfs tot in de steden. Ook foerageren ze graag op graslanden. De jaarlijkse winteraantallen wisselen sterk. Daarom is het verloop moeilijk vast te stellen. De landelijke trend neigt naar een lichte afname. De geschatte winteraantallen bedragen 200.000-500.000 (2013-2015) en de maximale doortrek wordt geschat op 200.000-1.000.000 kramsvogels. (bron: sovon.nl)









Figuur 101: alle waarnemingen (299) van kramsvogels per jaar met het totaal boven de kolom.


S
chaars aanwezig in de Dongevallei

Tijdens zes teljaren van de tellingenreeks is de kramsvogel niet aangetroffen in de Dongevallei. Zie figuur 101. Het totaal van de tien jaren dat de vogel wel is waargenomen, ligt op 299 exemplaren. Deze waarnemingen vallen tussen oktober en half maart. In het voorjaar en de zomer komt de kramsvogel in de Dongevallei niet voor. Hij is - ook landelijk - onregelmatig en vaak in lage aantallen aanwezig. Hij is maar in vier teljaren met 12 of meer soortgenoten gezien. De overige aantallen variëren van 1 tot 7 stuks. Hoewel de kramsvogel vaak op graslanden foerageert, is hij ook gek op bessen. Die vindt hij nauwelijks in de Dongevallei maar wel in de omliggende woonwijken.


Om te rusten en zich terug te trekken bij drukte heeft de kramsvogel wel flinke struiken en bomen nodig. Die vindt hij aanvankelijk niet in de Dongevallei. Na enkele jaren neemt de begroeiing steeds meer toe. In de periode met wat meer winters weer (2009-2013) komt de Dongevallei wat meer in beeld bij de soort. Enkele grote groepen dikken de aantallen wat aan: 63 op zaterdag 22 december 2012 en 120 op vrijdag 8 november 2013. Verder waren er in die periode groepen van 18, 23 en 28 stuks. In 2015 is nog een groep van 12 kramsvogels gezien en daarna is de soort nagenoeg niet meer aanwezig, op 1 in 2018 en 1 in 2019 na.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



maandag 4 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Merel

 

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Merel
Turdus merula - broedvogel


’Blackbird’

De merel is een vrij grote lijsterachtige vogel met een gemiddelde lengte van 25 cm, van staart tot kop. Vaak vertoont hij zich met opgerichte staart en hangende vleugels. De merel is een bekende verschijning. Hij is al heel lang algemeen in Nederland en veel mensen zijn met hem opgegroeid in hun omgeving. De zang en veel van de andere geluiden die hij maakt zijn onbewust bekend bij een groot publiek. De beschrijving van het verenkleed is simpel: het mannetje is zwart en het vrouwtje bruin. Beide geslachten hebben donkergrijze poten. De gele snavel en de oranje oogring van het mannetje zijn het meest opvallend in het broedseizoen. Het vrouwtje is bruin met een gelige snavel. Ze heeft een vuilwitte keel en donkerbruine streepjes op de borst. De zang van de merel spreekt ons aan omdat hij op een menselijke toonhoogte zingt. Zijn melodische variatie van heldere klanken zingt hij in een rustig tempo met duidelijke tussenpauzes. Al in december zag en hoorde ik een merel zingen op de punt van het dak aan de overkant van mijn straat. De zang van de merel is steeds weer een beleving die melancholie bij me opwekt; het is een geweldige zanger. De Beatles vertolken dat fameus in ‘The Blackbird’, de versie met merelzang bezorgt me rillingen.


Succesvolle cultuurvolger

De merel is in Nederland de talrijkste broedvogel. Hij ontbreekt alleen in gebieden zonder bomen en struiken. De hoogste dichtheden komen voor in stedelijke gebieden met veel groen. Ook agrarisch cultuurland met veel heggen en de randen van gevarieerde loofbossen zijn goed bezet. Ooit was de merel een bosvogel met een schuwe levenswijze. Nu zie ik hem op het gazon voor mijn woning met soms wel 10 andere merels naar voedsel zoeken. De merel heeft zich ontpopt tot een succesvolle cultuurvolger. Zich aanpassende heeft hij in twee eeuwen een sterkte populatiegroei doorgemaakt. Al in het begin van de 20e eeuw is de soort in bijna alle steden en dorpen te vinden. De piek van de merel als broedvogel is in de periode 1998-2000 met 900.000-1.2000.000 broedparen. Daarna stagneert de groei. In de periode 2007-2015 is er sprake van een matige afname. In de laatste atlasperiode komt het aantal broedparen op 650.000-1.100.00. In de winterperiode verblijft het gigantische aantal van 2.000.000-3.000.000 merels binnen onze landsgrenzen. (bron: sovon.nl). De merel is jaarrond topscoorder onder vogels in Nederland.








Figuur 98: alle waarnemingen (1635) van merels per jaar met het totaal boven de kolom. 


Flinke afname aan het einde

Het aantal van alle waargenomen merels per jaar opgeteld laat een redelijk stabiel beeld zien gedurende bijna de gehele tellingenreeks. Met goed zichtbare schommelingen en een fikse dip is aan het einde toch een minder fraai beeld te zien. De droogte van de laatste jaren en het usutuvirus zijn daar de oorzaak van. Het usutuvirus veroorzaakte veel sterfte onder merels in Duitsland, waar het sinds september 2011 rondwaart. In augustus 2016 heeft het Nederland bereikt en sindsdien zijn er veel dode merels aangetroffen. Het is bekend dat de ziekte zich verder over het land verspreidt (bron: sovon.nl). Tot nu toe zijn de merels in Brabant niet opvallend vaak getroffen volgens berichten. Dat er wel wat meer gaande is in de Dongevallei laten de cijfers in figuur 98 zien. Het ziet er naar uit dat de gevolgen van dit voor merels dodelijke virus voorlopig nog niet voorbij zijn. De waterstand in de Dongevallei wordt via stuwen geregeld, echt heel droog zijn bepaalde delen nooit maar andere weer wel. Met de extreme droogte in de wijde omgeving is de droogte wel een bepalende factor voor de afname van de merel in de Dongevallei.











Figuur 99: alle waarnemingen van merels per maand met het totaal boven de kolom.


Veel merels in het voorjaar

Elke maand worden twee vogeltelronden gelopen in de Dongevallei. Het totaal aantal waargenomen merels van alle tellingen per maand opgeteld staan in figuur 99. Dat geeft het volgende beeld: De aantallen lopen het hoogst op in het broedseizoen, april en mei. Die periode valt samen met de voorjaarstrek. De najaarstrek is in oktober ook duidelijk afgetekende door de plotselinge stijging van de aantallen. De voorafgaande verlaging in augustus en september is het gevolg van de jaarlijkse rui. Het winterse deel aan het einde van het jaar is de merel meest in stabiele aantallen aanwezig. De zeer lage aantallen in januari en februari kunnen niet anders dan voedselgebrek als oorzaak hebben. Door allerlei voerderactiviteiten in de wijk waar het gebied doorloopt, zijn er vele andere mogelijkheden om aan voedsel te komen. In de laatste, zeer schrale teljaren (2018-2019), is de merel in januari en februari tijdens meerdere tellingen helemaal niet gezien.










Figuur 100: alle vastgestelde territoria (103) van merels per jaar met het totaal boven de kolom.


In de laatste 2 jaren zijn de aantallen vastgestelde territoria ook iets lager. Zie figuur 100. Maar niet echt bepalend voor het geheel. De trend van de broedvogels mag met een aanvankelijke stijging en flinke schommelingen wel als positief worden gezien.


               



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Tapuit

 

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Tapuit
Oenanthe oenanthe


De tapuit is een hoog op de poten staande rusteloze vogel. Zijn verticale houding is opvallend. Hij heeft hetzelfde formaat als een witte kwikstaart met een korte staart. Het vrouwtje heeft een grijsbruine rug. De rug van het mannetje is grijsblauw. Beide geslachten hebben een flinke witte stuit. De witte blokken verderop de staart zijn ook opvallend. De witte wenkbrauwstreep, de gedeeltelijk donkere vleugels en de witte onderkant kenschetsen beide geslachten. Het mannetje onderscheidt zich verder door het zwarte masker en de oranjerode borst en keel. Het verenkleed is in de winter bij zowel het mannetje als het vrouwtje veel valer.


De tapuit is een schaarse broedvogel van noordelijke duingebieden, de Waddeneilanden en de stuifzand- en heidegebieden op de grens van Friesland en Drenthe. In 2018 is de stand op 290-310 broedparen vastgesteld. In de opvolgende jaren, vooral in 2020, zijn lichte successen geboekt door allerlei maatregelen. De belangrijkste biotopen hebben veel als broedgebieden ingeleverd door vergrassing en vermossing van de bodem en het ontbreken van konijnenholen. De tapuit broedt in konijnenholen, maar de konijnenpopulatie is door ziektes kwijnende. In de periode 1970-1978 wordt de tapuit in Atlas van de Nederlandse broedvogels (1979) met 1400-1600 paren al als een schaarse broedvogel omschreven. Alle belangrijke broedgebieden in het binnenland zijn dan al minder geschikt geworden door bebossing van heidegebieden en het verdwijnen van de schaapskuddes, waardoor verruiging toenam. (bron: sovon.nl)


Doortrekkende tapuiten, van en naar noordelijker gelegen streken, zijn in het voor- en het najaar op de Brabantse zandgronden een bekend beeld. In de Dongevallei zijn gedurende de tellingenreeks 7 waarnemingen van een tapuit vastgelegd: in 2004 (1x1), 2006 (1x1 & 1x2), 2007 (1x1) en 2011 (2x1). De waarnemingen waren in de maanden april, mei, augustus en september.



Reacties naar adkolenkpnmail.nl



zondag 3 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Roodborsttapuit

 

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen





Roodborsttapuit
Saxicola rubicola - broedvogel


”Ut Tèèrpötje”

Saxicola torquata is in oudere vogelboeken de wetenschappelijke naam van de roodborsttapuit, behorende tot de familie van de lijsters (Turdidae). Ook in het geheugen van vele vogelaars staat die naam nog geprent. Sinds enkele jaren is de soort ten gevolge van DNA-onderzoek opnieuw ingedeeld. De roodborsttapuit heet voortaan Saxicola rubicola en behoort, met zijn naaste verwant het paapje, tot de familie van de vliegenvangers (Miscicapidae). De roodborsttapuit is in de omgeving van Tilburg van oudsher erg bekend. Er is zelfs een plaatselijke naam voor: ’ut tèèrpötje’. Tèèr (teer) naar de overwegend zwarte kleur van het mannetje. De Vogelwerkgroep KNNV Tilburg heeft de naam van dit prachtige vogeltje gekoppeld aan haar nieuwsbrief. De naam ”Ut Tèèrpötje” prijkt sinds 1990 op de kop van de nieuwsbrief, naar het idee van Henk Moller Pillot, de nestor van de Vogelwerkgroep.


In de top van een plantenstengel

De roodborsttapuit is een bonte, kleurrijke verschijning, iets kleiner dan de vink (12,5 cm). De kop en de keel van het mannetje zijn zwart met wit in de zijhals. De bovenzijde is vrijwel geheel zwart met roestbruine randen aan de veren en een smalle witte vleugelstreep. De borst en de flanken zijn warm roestkleurig, de buik is licht roomkleurig tot vuilwit met een witte stuit. Vrouwtjes en juveniele roodborsttapuiten lijken veel op elkaar. Ze hebben bruine, gestreepte bovendelen met wit in de hals en ook een lichte vleugelstreep. De roodborsttapuit vliegt met snelle vleugelslagen in een onregelmatige, golvende vlucht. Hij zit vaak op een verheven plaats. Een vertrouwd beeld vormt de roodborsttapuit, schokkend met vleugels en staart in de top van een plantenstengel. Zijn geluid is erg typisch en niet zo hard. Toch is hij vooral in familieverband een luidruchtige vogel. Het mannetje zingt vaak dansend in de vlucht met onregelmatige, zich snel herhalende tonen. Hij is vooral een insecteneter. Kevers, slakjes, wormen, spinnen en soms staan ook zaadjes op het menu.


Soms in de winter

Roodborsttapuiten op trek gaan meestal niet erg ver weg. Ze overwinteren op het Iberische Schiereiland, in Marokko en Algerije en voor een deel ook in Frankrijk en België. Een klein deel van de Nederlandse populatie overwintert in eigen land (200-1.000 in 2013-2015), vaak nabij hun broedgebied (bron: sovon.nl). In de Dongevallei zijn 3 roodborsttapuiten in de winterperiode waargenomen. Een paar op 27 februari 2004 en één exemplaar op 28 november 2006, hoogstwaarschijnlijk een vroeg teruggekeerd paar en een late trekvogel. In de echte wintermaanden december en januari ontbreekt de roodborsttapuit in alle teljaren. Verder zijn alle waarnemingen van maart tot en met oktober geregistreerd. In de tellingenreeks is in de eerste zeven jaren 97 keer een roodborsttapuit waargenomen. Zie figuur 96.











Figuur 96: alle waarnemingen (97) van roodborsttapuiten per jaar met het totaal boven de kolom.


Doet het goed in Noord-Brabant

De roodborsttapuit is in Nederland een broedvogel van half open cultuurland, duin-, heide- en hoogveengebieden. Dat is voornamelijk in het westen en het noorden van het land. In Zeeuws-Vlaanderen aansluitend op de Vlaamse grenstreek is de soort relatief talrijk. Hij is schaars in de open laagveengebieden en kleigebieden in Laag-Nederland. Ook de kleinschalige agrarische cultuurlandschappen van Twente, de Achterhoek en Zuid-Limburg zijn niet talrijk bezet. Omgekeerd zijn de hoge zandgronden van Drenthe, de Veluwe, Noord-Brabant en Noord- en Midden-Limburg goed bezet. Ze komen daar zowel in boerenland als in natuurgebieden voor. De huidige (2013-2015) landelijke broedpopulatie bestaat uit 15.000-18.000 paren (bron: sovon.nl). In Midden- en Oost-Brabant kennen we de roodborsttapuit als een pionier in natuurontwikkelingsgebieden. In deze vaak geheel kale beginsituatie met snel opkomende begroeiingen ontwikkelen zich vaak flinke populaties. Met het toenemen van bomen en struiken verdwijnen ze weer. als ingrijpende beheersmaatregelen uitblijven. Dit is een vaker voorkomend beeld in onze omgeving en zo ook in de Dongevallei, zoals de grafiek laat zien. Daarentegen heb ik uit vele waarnemingen vastgesteld dat de soort zich (weer) in agrarische omgevingen weet te handhaven en zelfs toeneemt. Uit het ten noorden van Tilburg gelegen Noorderbos is de soort nagenoeg verdwenen: van 8 paren in 2005 naar 0 in 2019. In 2020 is er opnieuw een paar gesignaleerd, samen met waarschijnlijk 6 paren in het aangrenzende grootschalig landbouwgebied tussen Udenhout, de Spoorlijn en de stadsgrens (Nieuwe Warande). Kleine natuurvriendelijke ingrepen hebben de roodborsttapuit daar een kans gegeven.


           Figuur 97: alle vastgestelde territoria (8) van roodborsttapuiten per jaar met het totaal boven de kolom.


Geschiktheid biotoop vergankelijk

Aan het begin van de tellingenreeks in 2004 is een groot deel van de Dongevallei al niet meer interessant voor de roodborsttapuit. Het ontbreken van waarnemingen ten noorden van de Reuverlaan wijst daar op. De Dongevallei is in de periode 1996-2000 aangelegd vanuit het noorden. De in de eerste twee teljaren vastgestelde territoria bevinden zich in de twee meest zuidelijk gelegen telgebieden tussen het Sneekpad en de spoorlijn Tilburg-Breda. Daar zijn in 2005 ook jonge roodborsttapuiten gezien. Daarna nemen de aantallen af. Zie figuur 97. In 2006 en 2007 is telkens maar één territorium vastgesteld. In 2006 nog in het zuidelijke deel en in 2007 komt het middendeel nabij de Reuverlaan in beeld. Waarschijnlijk liggen beheersmaatregelen hieraan ten grondslag. Wel is er een nieuw territorium gevestigd juist buiten het telgebied, helemaal in het zuiden. Enkele malen is een zingende roodborsttapuit gehoord en gezien op bovenleidingen van de spoorlijn. De aantallen nemen verder af en in 2008 is geen territorium vastgesteld. In 2009 en 2010 komen de zuidelijke delen weer in beeld. In 2009 is één territorium aan de rand van het meest zuidelijke teldeel opgemerkt. Een deel daarvan valt buiten het telgebied rondom de spoorlijn. Ook rondom het Oostburgpad is in 2010 één territorium vastgesteld. In de opvolgende jaren tot op heden is de roodborsttapuit niet meer waargenomen in de Dongevallei.



      Met de aangrenzende braakliggende gronden was hier van 2004 tot 2010 tenminste één territorium van de roodborsttapuit gevestigd.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Paapje

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen






Paapje
Saxicola rubetra


Het paapje is een fractie groter dan de nauw aan hem verwante roodborsttapuit. Ze komen beide uit het geslacht Saxicola. De driehoekige witte vlekken op de staart van het paapje sluiten verwarring met de roodborsttapuit uit. Het mannetje paapje heeft een opvallende koptekening met witte lijnen en lichte en donkerbruine strepen over de kruin. Beide geslachten hebben een lichte wenkbrauwstreep en een karakteristieke bruine rugtekening in verschillende tinten bruin. Het mannetje heeft lichte vlekken op de vleugel.


Het paapje is ondertussen net zo schaars als het kleinschalige landschap op de hogere zandgronden waar hij zich graag ophoudt. De resterende populatie bevindt zich voornamelijk in het noordoosten van Nederland. Het is een uitgesproken trekvogel, die zelden in Nederland overwintert. De huidige populatie (2019) bestaat uit 200-300 broedparen. (bron: sovon.nl)

Eenmaal is een vrouwelijk paapje in de Dongevallei waargenomen, op maandag 9 mei 2005.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


vrijdag 1 oktober 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Zwarte roodstaart

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen





Zwarte roodstaart
Phoenicurus ochruros - broedvogel


Met trillende staart

Zwart met een rode staart zoals de naam zegt, veel meer is er niet te schrijven over het uiterlijk van het mannetje zwarte roodstaart. Zelfs de snavel en de poten zijn zwart. De witte vlekken op de vleugel zijn wel enigszins opvallend. Bij jonge vogels ontbreken ze. Het vrouwtje is op de rode staart en stuit na geheel bruin. Beide geslachten trillen veelvuldig met de staart.


De zwarte roodstaart houdt zich in Nederland graag op in stenige omgevingen, zoals industrieterreinen, grote stallencomplexen en nieuwbouwwijken. Deze lijken op hun natuurlijke leefomgeving: rotsachtige berghellingen. De meeste zwarte roodstaarten overwinteren in Zuidwest-Europa en Noord-Afrika. Kleine aantallen blijven hangen tot in november en december, maar verdwijnen bij een felle vorstperiode. In de winter (gegevens uit 2013-2015) bleef een beperkt aantal (100-400) in Nederland. Het huidige (2013-2015) broedvogelbestand in Nederland bestaat uit 13.000-20.000 broedparen. (bron: sovon.nl)









Figuur 95: alle waarnemingen (32) van zwarte roodstaarten per jaar met het totaal boven de kolom.


Gebonden aan nieuwbouw 

De zwarte roodstaart is in onze omgeving voor al op de grote Industrieterreinen een wat meer algemene verschijning. In de Dongevallei verschijnt hij in lage aantallen in 9 van de in totaal 16 teljaren. Zie figuur 95. In totaal gaat het om 32 waarnemingen. Zijn aanwezigheid hier is gekoppeld aan bouwprojecten van flinke omvang. In de lengte van de Dongevallei is in de loop der jaren op meerdere plaatsen nieuwbouw neergezet. De Dongevallei is maar een onderdeel van de biotoop waar de zwarte roodstaart voorkomt of zelfs broedt. In het laatste deel van de tellingenreeks, in 2016 en 2017, is in ieder jaar één territorium vastgesteld. In beide jaren zijn meerdere zangwaarnemingen van de zwarte roodstaart goed voor het bevestigen van één territoria. In die periode zijn aan de zuidwestrand van de Dongevallei in twee fasen rijen woningen gebouwd.


Reacties naar adkolen@kpmail.nl





Bouwwerkzaamheden direct achter de omheining trekken zwarte roodstaarten aan in 2016 en 2017.