donderdag 22 april 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 De kaart van het telgebied





   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl .



Ad Kolen


De kaart van het telgebied


De onderstaande afbeelding laat het deel van de Reeshof zien waar de ecologische verbindingszone de Dongevallei doorheen loopt. Het telgebied strekt van de Middeldijkdreef in het noorden tot aan de spoorlijn Tilburg-Breda in het zuiden. De gebieden noordelijk en ook zuidelijk ervan behoren ook tot de Dongevallei maar vallen buiten het telgebied. De dikke zwarte lijn op de kaart geeft de grens van het telgebied aan. Deze wordt in werkelijkheid gevormd door een omheining die de grote grazers binnen houdt. Om op handzame kaarten de gegevens van de broedvogeltellingen in te tekenen is het gebied in 6 teldelen verdeeld.  Deze genummerde teldelen (van het noorden naar het zuiden lopende) worden soms in de beschrijvingen van de vogels genoemd. De lengte van het telgebied is ruim 2,5 km. Het gebied wordt op en neer vanaf de Reuverlaan gelopen, meest aan de randen. De route heeft dus een lengte van ruim 5 km. De breedte van het gebied varieert van 150 tot 300 meter. Bij de doorgangen via bruggen zijn nagenoeg overal versmallingen.






Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



woensdag 21 april 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019: De inleiding




   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl .



Ad Kolen



De Inleiding


Tilburg, 11 april 2021


Na het verwerken van de gegevens van de vogeltellingen in het Noorderbos en vervolgens het uitgeven van het verslag ’Het Noorderbos en de Vogels 2003-2017’ volgt het uitwerken en publiceren van de gegevens van de tellingenreeks in de Dongevallei van 2004 tot 2019 als de volgende stap. Later volgt een derde verslag van een – nog lopende - reeks vogeltellingen in het Quirijnstokpark. Hoewel er nogal wat verschillen bestaan tussen de drie gebieden, zijn de gegevens op exact gelijke wijze verzameld. Het idee daarachter is om in een later stadium van een aantal vogelsoorten het verloop van hun aanwezigheid in de Tilburgse omgeving te kunnen analyseren en te beschrijven.


Dit verslag is geschreven om de resultaten van 16 jaar vogels tellen in de Dongevallei vast te leggen. De verzamelde broedvogelgegevens worden gedeeld met Sovon voor het vaststellen van de aantalsontwikkelingen van alle Nederlandse broedvogelsoorten. Dit Broedvogel Monitoring Project (BMP) is een omvangrijk project waarin bijvoorbeeld in 2018 broedvogelgegevens werden verzameld in 2.189 gebieden in Nederland. Het is verder mijn opzet de verzamelde gegevens en conclusies met anderen te delen. Dat betreft zowel de gegevens van de broedseizoenen als de in de overige seizoenen van de verschillende jaren verzamelde informatie.



De tellingen zijn 16 jaar lang, het gehele jaar door, tweemaal per maand uitgevoerd via een vaste route. Op enkele uitzonderingen na werd er in de vroege ochtenduren geteld. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van Sovon. De meeste BMP-tellingen zijn handmatig uitgevoerd. Dat wil zeggen: ter plaatse de aanwezigheid en het gedrag van potentiële broedvogels intekenen op veldkaarten; thuis deze gegevens overzetten op soortkaarten en aan het einde van het broedseizoen de territoria berekenen. Dit alles aan de hand van strikte Sovon-voorschriften. Vanaf het broedseizoen 2019 zijn het tellen en het verwerken van de gegevens een stuk eenvoudiger geworden door het gebruik van de app ‘Avimap’ van Sovon. Het bureauwerk wordt daardoor flink ingekort.




De Dongevallei in zuidelijke richting vanaf de Reuverlaan – 31 mei 2003.


De tellingen in de Dongevallei zijn voornamelijk door mij uitgevoerd, evenals het verwerken en uitwerken van de gegevens en het maken van deze rapportage. Meerdere leden van de Vogelwerkgroep KNNV Tilburg hebben meegeteld of meegelopen. Door Jos Böke en mij zijn van 2004 tot en met 2007 een aanzienlijk deel van de broedvogeltellingen gezamenlijk uitgevoerd. Een klein deel van de broedvogeltellingen zijn door Jos zelfstandig gelopen, evenals een flink deel van de jaartellingen in die periode. Van 2008 tot midden 2012 zijn door Richard Smulders en mij de broedvogeltellingen merendeels gezamenlijk uitgevoerd. De overige tellingen van de jaren in die periode zijn om en om zelfstandig door Richard en mij uitgevoerd. Daarnaast hebben Stan Godschalk en Hetty Bosman vele tellingen tijdens meerdere jaren meegelopen. Tot op de dag van vandaag lopen enkele andere leden van de Vogelwerkgroep KNNV Tilburg af en toe een telling mee.



Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. Daarom is ook het voorkomen van de betreffende vogelsoorten op landelijk en soms ook op Europees niveau beschreven. Van sommige vogelsoorten zijn foto’s toegevoegd. Van alle vogelsoorten is het uiterlijk, het gedrag en de zang beschreven, vaak uitvoerig, soms kort en bondig.



Het geheel heeft me veel kennis en genoegen gebracht en ik wil dat graag door middel van dit verslag met anderen delen.


Veel leesplezier.


Ad Kolen     adkolen@kpnmail.nl

Alle foto’s en grafieken zijn van de auteur.
Met dank aan Hetty Bosman voor het doornemen van de teksten.




Het noordelijke teldeel - 5 september 2008 (watermunt).


                                    Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



dinsdag 20 april 2021

Hopbeuk & Anna Paulownaboom




Bomen en struiken in Tilburg-Noord


Ad Kolen



Elk nootje van de Europese hopbeuk is omsloten door een blaasachtige, dunne papierachtige dop. 
Deze doppen, schutbladeren eigenlijk, vormen samen kluwens die veel gelijkenis hebben met hopbellen, vandaar de naam.



Een reeks artikelen over de verschillende soorten bomen en 
struiken die groeien in Tilburg-Noord.


Er staan erg veel niet ’alledaagse’ boomsoorten in Tilburg-Noord. Met behulp van gemeentelijke digitale boomkaarten ben ik tot verrassende ontdekkingen gekomen. Zo zag ik in een hofje op de hoek van de Beerthovenlaan en de Strausslaan dertien bomen op een gazon staan met een iets gevlekte schors, een beetje zoals een plataan. Hoewel er nog wel blad aan de bomen stond waren veel kenmerken door de extreme droogte niet meer duidelijk. Uiteindelijk kwam ik er toch uit en determineerde een hier onverwachte boomsoort, de hopbeuk.


                                                    Jonge hopbeuk in een hofje in de Sibeliusstraat.


De hopbeuk heeft weinig weg van de gewone beuk. De schors is veel ruwer en breekt op in platen die wat van kleur verschillen. Vandaar de eerder gemaakte gelijkenis met de plataan. Verdere lijkt de Europese hopbeuk meer op de haagbeuk en wordt er soms mee verward. De verschillen komen dan vooral tot uitingen in zaden. Elk nootje van de Europese hopbeuk is omsloten door een blaasachtige, dunne papierachtige dop. Deze doppen, schutbladeren eigenlijk, vormen samen kluwens die veel gelijkenis hebben met hopbellen, vandaar de naam. Aanvankelijk zijn ze witachtig, later in de zomer verkleuren ze wat meer tegen bruin aan. Nog een gelijkenis met andere boomsoorten hebben de mannelijke katjes. Ze lopen al vroeg uit en hangen in de winter al aan de takken maar gaan pas later open zoals berken, elzen en hazelaars dat doen. Inmiddels zijn de hopbeuken niet meer kaal en het is zeker de moeite waard ze eens te gaan bekijken in het voorjaar en ook in de zomer. In een van de hofjes van de Sibeliusstraat staat ook één hopbeuk die aan het einde van het jaar prachtige ’hopbellen’ vormt.



Anna Paulownabomen in de Quirinustuinen.


Wat ook zeker de moeite waard is en me verraste zijn de Quirinustuinen. In eerste instantie is er weinig bijzonders aan. Een pril park met nog erg jonge bomen waar de vele, soms brede betonnen paden sterk overheersen. Alleen enkele oudere haagbeuken, uit het verleden, geven wat volume aan het groen. Bij nader onderzoek blijkt dit nog onooglijk stukje noord meer potentie heeft. Het zal echter nog tientallen jaren duren eer dat echt tot uiting komt. Ten eerste zijn er meerdere tientallen zomereiken aangeplant. Aan de randen van de brede ’sloten’, aangelegd om regen water op te vangen, zijn toepasselijk moerascipressen geplaatst. Deze loofverliezende coniferen kunnen wel 35 meter hoog worden. Ze zijn bestand tegen natte standplaatsen, vormen daarom kniewortels, ook wel luchtwortels genaamd. Moerascipressen doen het ook goed op onze droge zandgronden. Pas laat in het voorjaar worden zijn met jonge frisgroene naalden getooid. Aan het einde van de herfst worden ze eerst donker roodbruin en vallen dan geheel af.




Bladeren en onrijpe zaden van de Anna Paulownaboom.


Een recentelijke ontdekking is dat er in de Quirinustuinen, in het noordelijke deel, vanaf de van Anrooylaan nabij de Vlashoflaan Anna Paulownabomen staan. Ongeveer twintig, nog jonge exemplaren die door de grote brede bladeren te herkennen zijn. De bladeren worden wel 35 cm groot, zijn geheel wollig behaard met aan het einde een ’topspitsje’. De Anna Paulownaboom is inheems in China. Hij is aangeplant in Japan en langs wegen in Zuid-Europa en in tuinen en parken in heel Europa. Bij ons hebben beschutte plaatsen de voorkeur, hij gedijt niet in koudere gebieden. In het voorjaar bewonderde ik de monumentale Anna Paulownaboom uit 1921 in het Waldeckpark in Maastricht. Ooit zullen we in Tilburg-Noord ook van de massale prachtige bloemen en de bijzondere noten kunnen genieten.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



maandag 19 april 2021

Amerikaanse eik

 


Bomen en struiken in Tilburg-Noord



Ad Kolen



Zaailingen kiemen op veel plaatsen nabij volwassen Amerikaanse eiken.



Een reeks artikelen over de verschillende soorten bomen en 
struiken die groeien in Tilburg-Noord.


De Amerikaanse eik is van oorsprong een Noord-Amerikaanse soort. Hij wordt ook wel rode eik genoemd. Dat komt ook terug in de wetenschappelijke naam Quercus rubra. Ruber, rubri betekent rood in het Latijns. De Amerikaanse eik is algemeen aangeplant in de warmere delen van Europa. Ook in Nederland, vaak in lanen en als sierboom in parken en tuinen. In Tilburg-Noord vinden we hem onder andere langs de Vlashoflaan, de Ravellaan en de Heikantlaan. In Nederland is de Amerikaanse eik sinds 1825 aangeplant, ook op grote schaal in bossen. De soort vormt een brede, dichte kroon in bossen waardoor hij andere boomsoorten verdringt en geen ondergroei toelaat. Het is ook een woekeraar die zichzelf verspreidt. Zaailingen kiemen op veel plaatsen nabij volwassen Amerikaanse eiken.


De Amerikaanse eik kan 35 meter hoog worden, houdt niet van schaduw en hij staat graag in de zon. Hij lijkt wel wat op de moeraseik. De vorm van het blad verschilt echter nogal, dat is breder, groter en minder diep gelobd. Het blad kan wel 20 cm lang worden met een wigvormige bladvoet en vier tot vijf spitse, getande lobben. De eikels zijn wat groter en doen er ook twee jaren over om af te rijpen. Ze zijn breder dan de eikels van onze zomereik, die meer langwerpig van vorm zijn. Veel eiken hebben gemeenschappelijke kenmerken. Hoewel er erg veel variatie in is zijn nagenoeg alle bladeren van eiken gelobd. Ook hebben veel verschillende soorten eiken het kenmerk dat aan het einde van iedere tak meerdere knoppen geconcentreerd bij elkaar staan. Bij de Amerikaanse eik zijn ze spits.




De eikel van de Amerikaanse eik is dikker dan  die van de inlandse eik.


Een deel van een hek of een prikkeldraad groeit soms in de stam van een boom. Die voorwerpen blijven op dezelfde hoogte ten opzichte van de bodem. Ook een opgehangen nestkast hangt na tien jaar nog op precies dezelfde plaats. Een boom groeit namelijk in de hoogte door zich naar boven toe te verlengen. De stam van een boom doet dienst als steun, geeft stevigheid aan het geheel. Onder de buitenste laag, de schors, die de stam isoleert en beschermt tegen ziekten, bevindt zich een ingewikkeld systeem van aan- en afvoerkanalen. Er vinden ook meerdere groeiprocessen plaats. De schors wordt gevormd door afstervend bastweefsel.


Het bastweefsel (floëem) vervoert de suikers, afkomstig van de fotosynthese, van de bladeren naar beneden. De volgende laag, onder de bast, het cambium is levensbelangrijk. Hier vindt ieder voorjaar de groei van de boom plaats. Aan de buitenzijde groeit het bastweefsel en aan de binnenzijde het houtweefsel (xyleem). Hier wordt het licht gekleurde spinthout gevormd. Het bestaat uit zeer dunne buisjes waardoor water en mineralen vanaf het wortelstelsel worden getransporteerd. Verder naar binnen wordt het hout donkerder, en wordt kernhout genoemd. De transportcellen zijn opgevuld en verduurzaamd met looistofachtige stoffen.



De afstand tussen de wortels en de kroon van een boom kunnen tientallen meters bedragen. Een boom heeft geen hart, dus geen pomp die het water omhoog stuwt. Toch overbruggen in het groeiseizoen dagelijks grote hoeveelheden vocht deze vaak flinke afstand. Het door de wortels opgenomen water is voor maar ongeveer één procent nodig voor de fotosynthese. Om onder invloed van zonlicht met het koolzuur uit de lucht suikers te vormen, waarbij zuurstof vrijkomt. De rest van het water gaat door verdamping verloren. Zo ontstaat een gedeeltelijk vacuüm dat snel wordt door opgevuld door het water dat vanuit de wortels wordt opgestuwd.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




Amerikaanse eiken zijn ook op grote schaal in bossen aangeplant.


zondag 18 april 2021

Moeraseik


Bomen en struiken in Tilburg-Noord


Ad Kolen




Schors van de moeraseik.


Een reeks artikelen over de verschillende soorten bomen en 

struiken die groeien in Tilburg-Noord.


Naast de vele gewone platanen is de moeraseik ook een talrijk aangeplante boomsoort in Tilburg-Noord. Een bijzondere soort boom die je onder andere kunt bewonderen in De Fallastraat, Borodinstraat, Elgarstraat, Griegstraat, Pater Dondersstraat, Sibeliusstraat, Goirke kanaaldijk, Heikantlaan en de Mozartlaan. Ik woon er zowat tussen in en zie de verschillende dimensies er van het jaar rond. De bloei in het voorjaar, de frisgroene bladeren in de zomer en de diepe roodbruine tinten in de herfst. Het silhouet in de winter is ook heel herkenbaar. De onderste takken staan horizontaal. Hogerop wijzen ze meer naar boven. Dat is echter niet de werkelijke vorm van de boom. Vanaf circa vijf meter hoogte van de stam hangen de takken opvallend naar beneden, als een rok. Dat beeld is als stadsboom langs straten en lanen niet gebruikelijk. Het onderste deel is er gewoonlijk niet, door snoeien verdwenen. Een solitaire boom, een niet opgesnoeide moeraseik heb ik nog niet gezien in Tilburg-Noord. Een brede dicht begroeide kroon met inwendig veel dood hout is wel een herkenbaar beeld. Het is me al vaker opgevallen dat er veel dode takken in de kronen van moeraseiken hangen, het hoort bij de soort blijkbaar.



Herfstbladeren van de moeraseik.

Zoals heel de boom zijn ook de bladeren goede herkenbare onderdelen. Het ruim 10 cm. lange blad is diep ingesneden met smalle rechtopstaande slippen. Het blad is ook aan de onderzijde glanzend met bruine toefjes haren in de nerfoksels. De eikels zijn klein, circa 1,2 cm lang en voor een derde deel verborgen in kleine napjes. Ze rijpen in het tweede jaar af. Door de geringe afmeting blijven er altijd eikels liggen op de gazons of aan de randen of onder struiken bijvoorbeeld. Bij winterse omstandigheden helpen ze verschillende soorten uit de kraaienfamilie de winter door. Deze vogels kunnen de kleine voedzame zaden met de tenen omklemmen en open hakken. Ook houtduiven en turkse tortels eten ervan als ze stuk gereden op het asfalt liggen.




  Een fraaie moeraseik in de Diepenbrocklaan.

Van de moeraseiken in Tilburg-Noord zijn vele van een behoorlijke leeftijd. Vijftig tot zestig jaar in mijn directe woonomgeving en lokaal stammen ze uit 1960 (Griegstraat) en zelfs uit 1940 (Goirkekanaaldijk). In de periode bijna twee decennia vóór de realisatie van Tilburg-Noord geplant. Deze flinke bomen bevatten veel bladeren, waar de gemeentelijke groenwerkers erg veel werk mee hebben in oktober en november. Zelfs halverwege januari wordt er nog een laatste veegsessie uitgevoerd.





Moeraseiken in de Beethovenlaan, een bekend beeld voor veel bewoners van Tilburg-Noord.


Soms moet een zieke boom verwijderd worden. Het mogelijke omvallen, wordt weleens een te groot risico in de bebouwde kom. Op de zaagsnede van de stam of de stronk zie je dan de jaarringen. Hoe dikker de boom is hoe meer ringen er gevormd zijn. Het aantal ringen bepaald de leeftijd van de boom. In onze omgeving kennen bomen een snelle voorjaarsgroei. Het hout heeft dan een open structuur en is licht van kleur. In de zomer gaat de groei langzamer. De houtstructuur is dan vaster en de kleur donkerder. De lichte en de donkere ring samen vormen één groeijaar.



Van de meer dan vijfduizend soorten schimmels in ons land zijn er zo’n honderd bedreigend voor bomen. Het zijn parasieten en tasten levende bomen aan. Ze halen er hun voedingsstoffen uit, maar geven er niets voor terug. Gewoonlijk zijn gezonde bomen daartegen bestaan. Zwakke of zieke boom zijn dat niet en kunnen aangetast worden door bijvoorbeeld zwavelzwam, korsthoutskoolzwam, tonderzwam, honingzwam en de reuzenzwam. De meeste soorten schimmels zijn echter saprofyten die leven van dood organisch materiaal.



Reacties naar  adkolen@kpnmail.nl




Moeraseiken in de winter.


zaterdag 17 april 2021

Plataan

 

Bomen en struiken in Tilburg-Noord


Ad Kolen



Bladeren van de gewone plataan.

 

Een reeks artikelen over de verschillende soorten

 bomen en struiken die groeien in Tilburg-Noord

 

De gewone plantaan is een van de talrijkste bomen in Tilburg-Noord. Hij staat werkelijk overal. Hier een opsomming van een deel van de straten waar de plataan is aangeplant; Mascagnihof, Schubertstraat, Ellenbergstraat, Mozartlaan, Heikantlaan, de Schans, Sibeliusstraat, Holzbauerpad, Griegstraat, Bartokstraat en de oostelijke middenbermen van de Vlashoflaan. Het is een geliefde stadsboom. Overal in grote steden, vaak op de meest drukke punten is de plataan aangeplant. Hij verdraagt dan ook goed luchtvervuiling. De gladde glanzende bladeren worden door de regen schoongespoeld en het regelmatig afvallen van de schors voorkomt dat de ademporiën in de bast verstopt raken door roetdeeltjes. Langs een drukke verkeersader in het centrum van Tilburg staan voor het oude paleis-raadhuis twee gewone platanen die uit circa 1850 stammen. Het zijn prachtige monumentale knoesten met fraaie stammen waar Tilburg trots om mag zijn en vooral zorgvuldig mee om moet gaan. Beide staan dan ook op de lijst monumentale bomen van de Gemeente Tilburg.

 

De plataan is voor vele ook een bekende van vakanties in Zuid-Europa. In Parijs flankeren platanen de straten. Platanen zijn ook de bomen van pleinen in vele Franse steden en dorpen. Vaak worden ze horizontaal geleid als een soort afdak. Ze zetten de petanqueveldjes in de schaduw. Ook in Spanje is de gewone plantaan aangeplant maar meer naar het zuiden kom je steeds meer de oosterse plataan tegen. Die heeft veel gelijkenis met de gewone plataan maar met een bredere kroon en diep ingesneden blad. Ook in Tilburg-Noord staat tenminste één oosterse plataan. Tegenover de ingang van Huize Heikant in het Brucknerpark.

 

De wetenschappelijke naam van de gewone plataan is Platanus hispanica. Platanus is afgeleid van het Griekse platy, dat breed betekent. Dat staat voor de breed gevormde bladeren en waarschijnlijk ook voor de brede kroon. De gewone plataan is een kruising (hybride) van de oosterse- en de westerse plataan. De Oosterse plataan is inheems in Griekenland, Bulgarije, Joegoslavië en Albanië. De westerse of Amerikaanse plataan is inheems in het oosten van Noord-Amerika. Deze bastaard, de gewone plataan is rond 1650 in Spanje of Zuid-Frankrijk ontstaan.

 

Het versneld loslaten van de schors van platanen in 2018.


De schors van de gewone plataan is grijs tot groen en roomwit. De schors laat los in schilfers waardoor de lichtere onderlagen vrijkomen. Zo ontstaat er een gevlekt geheel. Het is normaal dat de schors loslaat in de de zomer. In 2018 was het zeer opvallend. Door de hoge temperaturen en de droogte ging het sneller en meer tegelijk. Op veel plaatsen, ook in Tilburg-Noord, zagen we flinke lagen schors aan de voet van de stammen liggen. De schors van platanen valt er af, als al het water er uit is en afgegeven is aan de nieuwe schors. De boom zuigt eerst al het water uit de oude schors en laat dan pas los. In ons klimaat laat de schors normaal gesproken geleidelijk los, waardoor dit minder opvalt. Als u op vakantie bent in Zuid-Frankrijk bijvoorbeeld, zult u zien dat ook daar de platanen in hoog tempo hun schors los laten. Dit komt omdat de lente en zomers daar droger en warmer zijn.

 

De zaadbollen van de gewone plataan blijven tot in het voorjaar hangen.


De grote vijflobbig bladeren van wel 15 cm. doorsnede en de circa 3 cm dikke zaadbollen zijn ook bekende kenmerken van deze veel aanwezige boomsoort. De zaadbollen hangen met een tot drie stuks bij elkaar aan een lange steel. In het voorjaar barsten ze open en komen de talrijke nootjes, met gele haren, tevoorschijn.

 

Reacties naar adkolen@kpnmail.nl 




Diep ingesneden bladeren van de Oosterse plataan. 


zaterdag 13 maart 2021

Gewone esdoorn


Bomen en struiken in Tilburg-Noord



Ad Kolen



Een rij gewone esdoorns in de Verhulstlaan.


Een reeks artikelen over de verschillende soorten bomen
en struiken die groeien in Tilburg-Noord.


Inheemse bomen zijn bomen die van nature in Nederland voorkomen. Het gaat in totaal om wel vijfendertig soorten. Alle elf tot nu toe in deze reeks beschreven boomsoorten staan ergens in Tilburg-Noord en zijn onomstotelijk vastgesteld als in Nederland van nature voorkomende. De deze keer beschreven soort, de gewone esdoorn is veel aangeplant in Nederland en plant zich ook op eigen gelegenheid in onze natuur voort. De gewone esdoorn en ook de ruwe iep zijn boomsoorten waarvan men ’aanneemt’ dat ze inheems zijn: ”Omdat men denkt dat ze op eigen kracht hier hadden kunnen komen”.



Bladeren en zaden van de gewone esdoorn.

De gewone esdoorns heeft een donkergroen blad, dat wat lichter is aan de onderzijde. Het blad is groot, wel achttien bij zesentwintig centimeter met vijf lobben. De onderste twee lobben zijn niet geheel gescheiden. Het blad is verder afgezet met grove afgeronde tanden. Kleine verschillen zijn er aan het blad wel te zien daar er verschillende variëteiten verspreidt over Tilburg-Noord zijn aangeplant. Soms is het blad bedekt met zwarte vlekken. De boom heeft dan last van de inktvlekkenziekte. Een algemene schimmelziekte waar de boom verder geen last van ondervind. De gewone esdoorn is een snel volgroeide boom. Na zestig jaar levert hij al prachtig roomwit hout wat goed te verwerken is tot meubels en muziekinstrumenten. Maar hij kan wel tot 500 jaren oud worden.


Kort na de bladeren verschijnen in april of mei trossen vrouwelijk, mannelijke of tweeslachtige geelgroene bloemen. Na bevruchting worden de grijsbruine gevleugelde zaden zichtbaar. Het blad van de gewone esdoorn heeft veel gelijkenis met het blad van de gewone plataan. We zien dat terug in het tweede deel de wetenschappelijke naam; Acer pseudoplantanus, wat schijnplataan betekent. Gewone esdoorns zijn veelvuldig aangeplant in Tilburg-Noord. Je vindt ze onder andere in de Bartokstraat, de Griegstraat, de Heikantlaan, de Gounodlaan, de Corellistraat, de Donizettistraat en de Brahmsstraat.



Gewone esdoorns in de van Anrooylaan.

Lang voor het DNA-tijdperk is de indeling in naaktzadigen en bedektzadigen gemaakt. Naaktzadigen zijn zaadplanten waarvan de zaden niet omgeven zijn door een vrucht. Dat zijn de coniferen zoals o.a. dennen en sparren. Van alle andere zaadplanten zitten de zaden in een vrucht. De bedektzadigen zijn verder onderverdeeld in eenzaadlobbigen en de tweezaadlobben. Eenzaadlobbigen bevatten één zaadlob wat gezien kan worden als het eerste blad van een kiemblad. Onder de eenzaadlobbigen behoren de grasachtigen als granen, mais en grassen. Ook bloemen als orchideeën, tulpen en narcissen behoren daartoe. Tweezaadlobbigen hebben per zaad meestal twee zaadlobben. Alle loofbomen vallen onder de tweezaadlobbigen en ook planten als madeliefjes, boterbloemen, pinda’s en bruine bonen.


Het kiemworteltje van tweezaadlobbigen, dus ook van alle loofbomen, wordt gewoonlijk de hoofdwortel. Sommige bomen hebben één hoofdwortel, de penwortel die kleinere zijvertakkingen heeft. De redelijk rechte penwortel groeit in verhouding tot de lengte van de boom tamelijke ver de grond in. Vaak is het wortelstelsel ook wijdvertakt en vezelig met veel hoofdwortels. Het wortelstelsel strekt zich dan over een grote oppervlakte uit, tot wel tientallen meters van de kroon. Aan het uiteinde van de zijwortels bevinden zich haarloze wortelpunten waar water wordt opgenomen en groei plaats vindt.


Wortels hebben voor de groei en de opname van water veel zuurstof nodig. Ze groeien dan vaak ook in de zuurstofrijke bovenlaag van de bodem. Als de grondwaterstand hoog is redden veel bomen het niet. Elzen en sommige soorten wilgen kunnen wel op heel natte bodems leven. Ze transporteren waarschijnlijk zuurstof vanuit de bladeren naar de wortels.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




Herfstbladeren van de gewone esdoorn.
 

maandag 8 maart 2021

Schietwilg



Bomen en struiken in Tilburg - Noord

                   
                 Ad Kolen


                  Een reeks artikelen over de verschillende soorten bomen en struiken die groeien in Tilburg-Noord.


                                              Vijf geknotte schietwilgen aan de rand van Tilburg Noord in de Borodinstraat.

Het landelijke tafereel op de bovenstaande foto is wel degelijk in Tilburg-Noord, aan de rand weliswaar. Het geeft zicht in noordelijke richting op enkele weilanden met daarachter de bomen van het Peerke Donderspark. Staande aan de rand van de bebouwing zijn de vijf schietwilgen door het knotten aangepast aan de omgeving. Daar de takken regelmatig worden afgezaagd is ze meer ruimte en licht voor de aangrenzend bewoners. Ook van deze beschreven boomsoort zijn twee vormen terug te vinden in ons stadsdeel. Naast deze knotwilgen staan boomvormen van de schietwilg onder andere in het Quirijnstokpark, de Griegstraat, de Centaurusweg en in de middenberm van de Heikantlaan.


De schietwilg kan uitgroeien tot een flinke boom van dertig meter. Hij vormt een korte scheve stam met zware opstijgende hoofdtakken. De schors is donkergrijs en ruw met kruisende ribbels. De loten zijn dun, grijsgroen, hangende en in het eerste jaar met zachte beharing. De lancetvormige fijn gezaagde bladeren zijn van onderen grijsblauw met lichte beharing. De schietwilg is tweehuizig wat staat voor aparte bomen voor de mannelijke en voor de vrouwelijke bloemen. De mannelijke katjes zijn geel en de vrouwelijke groen die na de bevruchting hun donzige zaden door de wind laten verspreiden. Wilgen zijn voor insecten belangrijke leveranciers van stuifmeel. Verschillende solitaire bijen zijn afhankelijk van bloeiende wilgen. Het voedsel van de grijze zandbij is wilgenstuifmeel, zijn vliegperiode is afgestemd op de bloeitijd van wilgen.





     Bloeiende wilg.


Wilgen behoren samen met de populieren tot de familie van de wilgachtigen. Het wilgen- of Salix geslacht omvat zowel bomen als struiken. De bladeren hebben meestal geen of een zeer korte steel. De bladranden zijn vaak getand en van vorm zijn ze langwerpig en ook wel ovaal. In totaal bestaan er zo’n vierhonderd soorten wilgen. Ze groeien op alle continenten behalve op Antarctica en Australië. De schietwilg is echt een boom van ons land. Hij doet het overal goed maar houdt van nature van water. Overal waar ruimte is in een wat vochtige omgeving komen ze spontaan te voorschijn. De boswilg is ook een spontane verschijning en voelt zich ook op wat drogere gronden in Brabant thuis. In het Noorderbos komen beide soorten vanzelf uit de bodem en doen dat ook in de verschillende parken in Tilburg-Noord waar de bodem geruime tijd onberoerd blijft. Het kenmerkende eironde blad van de boswilg heeft een plotselinge toespitsing met een opzij gebogen puntje. Het is aan de onderzijde grijsviltig


Het is niet eenvoudig wilgen te determineren. De verschillende soorten wilgen zijn moeilijk uit elkaar te houden. Ze hebben een sterkte neiging tot kruisen en er zijn veel gekweekte soorten (cultivars) die soms verwilderen. Bij de beschrijving van de schietwilg kun je niet om de Biesbosch heen. Overal in de literatuur over deze soort komen linken naar dit unieke gebied naar voren. Een inventarisering van de wilgen in de Biesbosch in 2012-2013 komt tot de conclusie: De Biesbosch is geen oerbos wel een behoorlijk ontoegankelijk wilgenbos vol met referenties naar een nog nabij verleden van ongeveer 500 jaar riet- en griendcultuur. Vastgesteld is dat de belangrijkste aangeplante soort, de schietwilg, ook de dominante soort was van het oerbos dat hier ooit voorkwam. De inheemse schietwilg de dominante soort komt het meest voor in de Biesbosch. Maar daarnaast konden ook ruim vijftig wilgentaxa herkend worden, waarvan een flink deel van Buitenlandse afkomst. Ook in de meest natuurlijk ooibossen in Europa is de schietwilg tegenwoordig nog overal dominant. 













De Biesbosch is geen oerbos wel een behoorlijk ontoegankelijk wilgenbos.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl





zondag 7 maart 2021

Haagbeuk


Bomen en struiken in Tilburg-Noord


De schors is in het begin grijs en glad; later vormen zich diepe groeven en verticale richels, die er uit zien als onderhuidse spieren.
De schors is in het begin grijs en glad; later vormen zich diepe groeven en verticale richels, 
die er uit zien als onderhuidse spieren. 

Ad Kolen


Een reeks artikelen over de verschillende soorten bomen en struiken die groeien in Tilburg-Noord.

Beukenhagen zijn veel gebruikte afscheidingen van allerlei, vaak groene terreinen in Tilburg-Noord. Voor het planten van een beukenhaag zijn twee verschillende boomsoorten in gebruik: de beuk en de haagbeuk. Beide hebben de daarvoor belangrijke eigenschappen. Ze zijn bestand tegen veelvuldig snoeien en ze houden na de zomer een groot deel van het blad vast, totdat het nieuwe blad in het voorjaar verschijnt. De beuk doet dat meer dan de haagbeuk.


De bladeren van beide soorten hebben duidelijke kenmerken die ze van elkaar onderscheiden. Ook in de winter is het verschil nog te zien. Het blad van de haagbeuk heeft een opgelegde nerventekening en een gezaagde rand. Het beukenblad daarentegen kenmerkt zich door zijn gladheid, gave randen en veel minder opgelegde nerven. De bladeren van de haagbeuk zijn gewoonlijk wat smaller en meer toegespitst en hebben meer nerven. De zaden zijn heel verschillend. Anders dan de bekende beukennootjes zijn de zaden van de haagbeuk kleine driehoekige geribde nootjes. Ze staan in trosjes van circa acht stuks bij elkaar en zijn meestal nauwelijks zichtbaar door de omringende drielobbige schutbladeren. Ook het herfstblad toont herkenbare verschillen. De beuk heeft verkleurend blad - van geel naar warm rood. Het blad van de haagbeuk wordt in de herfst erg geel en valt na de eerste nachtvorst direct af.


Een haagbeuk in de Offenbachstraat.

Net zoals van de veldesdoorn zijn in Tilburg-Noord zowel de haagvorm als de boomvorm van de haagbeuk te zien. Haagbeukbomen staan gewoonlijk op gazons tussen woningen of flats, of in hofjes zoals dat op de hoek van de Beethovenlaan en de Haendellaan. Verder zijn ze bijvoorbeeld aangeplant in de Griegstraat, de Locatellistraat, de Offenbachstraat, de Perosistraat, de Heikantlaan en de Componistenlaan.


De haagbeuk is een inlandse boom die van nature wijdverbreid voorkomt in heel Europa en in West-Azië. Naast de haag- en struikvorm kan de haagbeuk als boom wel een hoogte van 25 meter bereiken en heeft dan een dicht vertakte brede kroon. Omdat de haagbeuk schaduw verdraagt, komt hij van oorsprong voor in eiken- en beukenbossen. De schors is in het begin grijs en glad; later vormen zich diepe groeven en verticale richels, die er uit zien als onderhuidse spieren. Het hout van de haagbeuk is heel hard en slijtvast, een geliefd materiaal voor stelen van hamers, bijlen, schoppen, dorsvlegels en het hakblok van de slager. Vóór de opkomst van goedkoop staal werden er ook spaken van wielen en tandwielen van gemaakt.


De haagbeuk werd in ons land tot in de twintigste eeuw als hakhout gebruikt voor allerlei doeleinden. Voor brandhout en houtskool werden de bomen tot op de bodem afgehakt (afgezet). Voor takkenbossen voor ovens was het op manshoogte knotten gebruikelijk om de jonge scheuten buiten het bereik van het vee te houden.


Hakhout was verreweg het belangrijkste bostype in Nederland tot het begin van de vorige eeuw. Door de regelmatige oogst was het de meest rendabele vorm van houtteelt. Gebruikt werden loofboomsoorten met een groot uitstoelingsvermogen. Het meest bekend zijn de wilgengrienden, zoals in de Biesbosch en elders langs de grote rivieren, maar ook haagbeuk, eik, els, iep en es werden voor divers gebruik geknot. Uit de uitgestrekte bossen met veel haagbeuken in Frankrijk wordt tot op de dag van vandaag hout van haagbeuken gehaald voor de vele houtkachels die men er in landelijke gebieden stookt. Ook in het landelijk gebied van oostelijk landen zoals Roemenië, Bulgarije en Wit-Rusland is hout stoken vaak nog een algemeen gebruik.

Bladeren en zaden van de haagbeuk.





Reacties: adkolen@kpnmail.nl




maandag 1 maart 2021

De Beuk



Bomen en struiken in Tilburg-Noord



Drie beuken uit 1990 in de Offenbachstraat, aan de rand van het kerkhof.




























Ad Kolen


In de winter, de periode dat er geen bladeren aan loofbomen zitten, is de beuk goed te herkennen aan diverse andere typische kenmerken. De schors op de stam en op de dikke takken is glad en heeft een metaalachtige glans. De spitse, dunne bleekbruine knoppen staan los van elkaar langs de twijgen. Het blad vind je in de winter vaak nog onder de boom en is ovaal met een zwak gegolfde rand. Het blad heeft 5-9 paar nerven en is maximaal 10 cm lang en 7 cm breed. In het voorjaar verschijnt het blad heldergroen en kleurt met de seizoenen via verschillende tinten groen tot geel om als roestbruin herfstblad af te vallen. Het jonge blad van de beuk is zacht behaard.

Bladeren van de beuk.

Beuken kennen we van bossen en in majestueuze vormen langs brede lanen op landgoederen. Het is een inlandse boomsoort die ook in Brabant van nature voorkomt op de wat rijkere, minder natte gronden. Aangeplant tref je ze overal aan, ook op schrale droge gronden. Beuken kunnen wel 40 meter hoog worden. Ze vormen een dichte brede kroon en een wortelstelsel dat dicht aan de oppervlakte groeit en bij de stam vaak daarboven. Er zijn dan ook weinig beuken als straatboom aangeplant in Tilburg-Noord. In 1990 zijn aan de Heikantlaan wel elf beuken op een geschikte plek aangeplant: in de middenberm, ter hoogte van het Brucknerpark. Daar is voldoende ruimte beschikbaar om uit te groeien tot mooie kolossen.


In het Quirijnstokpark zijn bij de aanleg in 1973-1975 vele beuken neergezet. De tientallen nog resterende bomen zijn nu van een mooi formaat. Bij elkaar staande exemplaren vormen een herkenbaar beukenbosje met weinig ondergroei. De manier van vertakken van beuken is gelijkmatig. De dunne takken vormen een opvallend contrast met de dikke stam. De bladeren zijn zo gerangschikt op de takken dat ze allemaal wat licht krijgen, een dichte kroon vormen en weinig licht door laten. Samen met het looizuurrijke blad is dat de oorzaak voor maar weinig plantengroei in een beukenbos. Hooguit staan er wat voorjaarsbloeiers als bosanemoon en speenkruid.


Zaailing van de beuk.


Tilburg-Noord herbergt ook een aantal mooie monumentale beuken. Aan de Centaurusweg, tussen de vijver en het Wilhelminakanaal, prijken zes beuken uit begin 1900. Meer noordelijk, grenzende aan dezelfde weg, waar ooit Café Kluijtmans werd uitgebaat, staan acht exemplaren uit 1920-1930. Op de hoek van de Zellerstraat en de Offenbachtstraat, tegen de rand van het kerkhof, een beetje verborgen tussen andere bomen, groeien drie gezonde exemplaren uit 1900. Een rode beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’) in de tuin van de pastorie van de Heikantse kerk uit 1850 was er slecht aan toe. Na wat boomchirurgische ingrepen is hij weer in redelijke staat. Helaas is hij vanaf de straat niet zichtbaar!


Beuk is afgeleid van beoce of bos, een woord uit het Sanskriet, een oud Indiaanse taal. Het betekent zowel boek als boom. Het oudst bekende schrift dat in de Germaanse landen werd gebruikt, ook run genoemd, zijn lettertekens bestaande uit rechte en hoekige lijnen. Het runenschrift werd in de oudheid vaak ik beukenschors gekerfd. De wetenschappelijke naam van de beuk ‘Fagus sylvatica’ is als volgt te verklaren: het woord ‘fagus’ (Latijn) is verwant aan ‘phagein’ (Grieks) dat ‘eten’ betekent en heeft te maken met de eetbare vruchten. ‘Sylvatica’ betekent ‘van de bossen’.


‘Boeke’ is een volksnaam voor de beuk, vandaar o.a. Boekel (N.Br.) en Boekelo (Ov). In Roemenië, waar veel beukenbossen te vinden zijn, hebben plaatsnamen als Boekowina en Boekarest met beuken te maken.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl