woensdag 19 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Wintertaling

 

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 



Ad Kolen






Wintertaling
Anas crecca



De wintertaling is de kleinste Europese eendensoort. In het verleden werd hij door poeliers een halve eend genoemd. Het kleine formaat is in de vlucht goed te herkennen, vooral als hij met andere eendensoorten opvliegt. De wintertaling bezit een aantal typerende kenmerken. De groene met wit omzoomde spiegels zijn bij beide geslachten goed zichtbaar in de vlucht. Het vrouwtje heeft donkere vlekken en strepen op het bruine verenkleed. De grijze bovenkant van het mannetje, met sierveren, wordt door een witte streep afgezoomd van de eveneens grijze flanken. De bruine kop heeft grote groene oogvlek. Beide geslachten hebben een opvallende lichte vlek in de anaalstreek: wit bij het vrouwtje, roomkleurig bij het mannetje. Zoals bij veel vogelsoorten is het typische geluid een goed determinatiekenmerk. Het krekelachtige ‘kruuk kruuk’ van de wintertaling is vaak tussen andere soorten eenden te horen voordat je hem ziet.


Wisselende broed- en winterpopulaties

De wintertaling is vooral een broedvogel van de hoge zandgronden in ons land. De biotoop bestaat uit vennen, moerassen en andere plassen, de laatste in mindere mate. In het westen en noorden broedt hij voornamelijk in de duinen en plaatselijk ook in graslandgebieden. Sinds de vorige eeuw neemt de soort licht af. De gemiddelde winterpopulatie is tamelijk stabiel. Beide populaties, zowel de broed- als de winterpopulatie, zijn wel van jaar tot jaar sterk aan schommelingen onderhevig.

Ze zijn afhankelijk van de stand van de wateren en de strengheid van de winter. Verdroging van broedplaatsen is de voornaamste oorzaak van de daling van de aantallen en het krimpen van de verspreiding. De broedvogelpopulatie is van 2.300-3.500 paren (1973-1977) gedaald naar 1.600-1.900 paren (2013-215). De winterpopulatie is weinig gewijzigd en bestaat uit 70.000-80.000 wintertalingen. (bron: sovon.nl)


Sporadische waarnemingen

In totaal zijn maar 18 waarnemingen van wintertalingen vastgelegd in de Dongevallei. Daarmee is het een van de hier sporadisch voorkomende vogelsoorten. Hij is vooral in het najaar en de winter aangetroffen. De aantallen variëren van 1 tot hooguit 3 exemplaren tijdens acht van de vijftien teljaren.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl



dinsdag 18 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Krakeend

  

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen





Krakeend

Mareca strepera - broedvogel



Met witte spiegel

De krakeend is een bijzonder fraaie eendensoort. Het formaat ligt net iets onder dat van de wilde eend. Het verenkleed is echter totaal anders. De grijze bovenzijde en het zwarte kontje zijn de kenmerken van het mannetje krakeend. Dichterbij tonen de op de vleugels liggende sierveren hoe gracieus de vogel is. De fijne tekeningen op de veertjes van de hals en de flanken maken de krakeend bijzonder mooi. Het vrouwtje lijkt op afstand op het vrouwtje wilde eend. Maar ook bij haar zie je op korte afstand de ware schoonheid van deze slanke eendensoort.






Met een wat gelig verenkleed en fijne tekeningen op vele dekveren is ook het vrouwtje bijzonder. Haar snavel is meestal geel, die van het mannetje is zwart. Opvallend is bij beide geslachten de witte spiegel in de vleugels, een goed kenmerk om ze te onderscheiden van andere eendensoorten als ze opvliegen.






Voortdurend stijgende aanwas

De krakeend is vooral een broedvogel van Oost-Europa en verder oostelijk daarvan tot in Aziatisch Rusland. In de 19e eeuw broedden er al krakeenden in Nederland. Tot de helft van de 20e eeuw was het hier een schaarse broedvogel, voornamelijk in Friesland. Daarna nam het aantal toe. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw werd het noordwestelijke deel van Nederland bezet. De huidige situatie is dat zowel de broedpopulatie als de winterpopulatie van krakeenden in Nederland toenemen. De toename van de krakeend is onderdeel van een proces dat grote delen van West-Europa omvat. Aangenomen wordt dat door grootschalige ontginningen de oostelijke gebieden aan belang hebben ingeboet. West-Europa werd door het voedselrijker worden van de wateren interessanter. De vele nieuw aangelegde waterrijke natuurgebieden in Nederland dragen zeker bij aan de toename van de krakeend. Ook op de drogere delen, bijvoorbeeld op de Brabantse zandgronden, is de aanwas van krakeenden gestegen, weet ik uit eigen waarnemingen. In de jaren 1976-1977 hebben naar schatting tussen de 550 en 800 paren krakeenden in Nederland gebroed. In het tijdvak 1979-1985 is dat opgelopen tot 1600-2400 broedparen. Een enorme toename volgt in de periode 1998-2000 met 6000-7000 broedparen. Uit de gegevens, verzameld voor de Vogelatlas van 2013 tot 2015, blijkt dat het daar niet ophoudt, maar uitkomt op 21.000-26.0000 broedparen en een winterpopulatie van 59.000-72.000. (bron: sovon.nl)



    Figuur 26: alle waarnemingen (1.623) van krakeenden per jaar met het totaal boven de kolom.



Verstoringsgevoelig

Tijdens het eerste teljaar (2004) is de krakeend al aanwezig in de Dongevallei. Twee exemplaren zijn in dat jaar in de tweede helft van oktober gezien. Het tweede jaar van de tellingenreeks ontbreekt de soort. Vanaf 2006 is hij jaarlijks aanwezig (zie figuur 26), maar niet tijdens elke telronde. De krakeend is een schuwe en verstoringsgevoelige vogel. Hij vliegt al snel op als je een van de smalle watergangen passeert. Soms is hij al verdwenen voor je hem kunt benaderen. De krakeend is echter ook in de vlucht goed te determineren. Met wat schommelingen in de aantallen neemt de soort gestaag toe in de opeenvolgende jaren. Maar zelfs in de topjaren, tijdens de tweede helft van de tellingenreeks, zijn er vier à vijf tellingen per jaar waarin de krakeend niet wordt gezien.


    Figuur 27: alle vastgestelde territoria (14) van krakeenden per jaar met het totaal boven de kolom.



Broedpogingen met resultaat

Ongeveer halverwege de tellingenreeks wordt het duidelijk dat ook Noord-Brabant geheel door de krakeend wordt bezet. Vanaf 2011 is hij ook broedvogel in de Dongevallei met aanvankelijk 1 paar en later uitschieters naar 2 of 3 territoria in 2014, 2016 en 2019. Zie figuur 27. In totaal zijn er 14 broedgevallen vastgesteld gedurende de tellingenreeks. De meeste zijn bepaald door waarnemingen van paren binnen datumgrenzen die voor deze soort gelden. Twee broedpogingen zijn zichtbaar succesvol geweest en van een derde is dat vrij zeker.

De derde poging (juli 2015) betreft een vrouwtje krakeend dat verwonding aan haar vleugel simuleert en luidt snaterend van het toneel verdwijnt. Ze is gestoord bij het broeden of er zijn jongen in de buurt die zich ’drukken’. Zij probeert zo de aandacht af te leiden. De zekere broedgevallen betreffen waarnemingen van pas uitgekomen pullen: 8 in 2011 en 3 in 2014. In mijn aantekeningen van 18 juni 2011 staat daarover vermeld: ”Niet geheel onverwacht een vrouwtje krakeend met 8 jongen aangetroffen in teldeel 5. Dat is in de buurt van de plek waar tweemaal een mannelijke krakeend is gezien tijdens voorgaande tellingen. Het mannetje houdt zich opvallend rustig en vliegt pas op het laatst op. De jongen zijn ongeveer 10 dagen oud en goed als krakeenden te herkennen. Het vrouwtje valt natuurlijk op door de witte spiegels op de vleugels. De jongen hebben allemaal een licht beige vlekje op de vleugel op de plaats waar zich later de witte spiegel zal ontwikkelen. Alle pullen zijn exact gelijk getekend.”


     Figuur 28: alle waarnemingen van krakeenden per maand met het totaal boven de kolom.


Vooral trekvogel en wintergast

Figuur 28, met alle opgetelde waarnemingen van de krakeend per maand, geeft het jaarbeeld van deze soort weer. In de periode rond het broedseizoen is de krakeend in zeer lage aantallen aangetroffen. Dat gaat gelijk op met het kleine aantal broedende vogels en hun soms aangetroffen nieuwe kroost. Hij is hier vooral een trekvogel en overwinteraar, met een piek in december. In de laatste maand van het jaar en ook in november lopen de aantallen per telling hoog op. Vanaf 2016 zijn soms hoge aantallen van 26, 30, 37, 48 en 49 genoteerd tijdens één telling. Ook in maart lopen de aantallen af en toe wat hoger op. Vanaf 2015 zijn maxima van 28 en enkele malen 24 krakeenden tegelijk waargenomen. De Vogelatlas van Sovon geeft een iets ander beeld van het wintervoorkomen van de krakeend. Daarin is beschreven dat in Nederland in de periode van september tot december de hoogste aantallen worden gezien - tot 10.000 exemplaren. Daarna dalen de aantallen met de helft door wegtrek naar Zuidwest-Europa. (bron: sovon.nl) De grafiek in dit rapport laat zien dat dit verschijnsel zich in de Dongevallei een maand later afspeelt. Pas in januari worden de aantallen ruim gehalveerd. Aangenomen wordt dat vogels uit het noorden en het westen al vanaf november afzakken en in enige tijd Noord-Brabant blijven hangen. Pas in januari trekken zij verder naar het zuiden.







Reacties naar adkolen@kpmail.nl



maandag 17 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Smient


 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 



Ad Kolen




Smient
Mareca penelope



‘Fluiteend’ in andere talen

De smient is een middelgrote eend -kleiner dan de wilde eend- met een ronde kop en een kleine snavel. Het grijze bovenlijf en de donkerbruine kop met een gele vlek op het voorhoofd zijn typerend voor het mannetje. Het vrouwtje draagt een voornamelijk grijsbruin gevlekt verenkleed met rossig bruine flanken. Beide geslachten hebben een witte buik en gedeeltelijk witte onder-vleugels. De bovenzijde van de vleugels, zichtbaar in de vlucht, zijn bij het mannetje wit en bij het vrouwtje lichtblauw. De smient valt op door het fluitende geluid dat het mannetje maakt. Daarom wordt hij ook wel fluiteend genoemd. Dat komt naar voren in de huidige Duitse naam Pfeifente. Ook in de Franse benaming komt dat terug: canard siffleur. Het woord fluiten - silbar - is in de Spaanse benaming van de smient, silbón, te herkennen. De Nederlandse benaming ‘smient' is waarschijnlijk afkomstig van het Hoogduitse ‘schmey’, dat verwijst naar het kleine formaat van deze eend.


Veel overwinteraars en weinig broedvogels

De smient is in Nederland een schaarse broedvogel: 20-40 paren. Het merendeel van de smienten die buiten de winterperiode in Nederland verblijven, zijn overzomeraars. Mogelijk bevinden zich daaronder ook voormalige kooivogels. Van november tot in maart verblijven grote aantallen doortrekkende en overwinterende smienten in Nederland. De landelijke aantallen zijn voor de winterperiode van 2013 tot 2015 volgens de Vogelatlas van Sovon vastgesteld op 860.000 tot 940.000 exemplaren. Vooral bij strenge winterse omstandigheden in noordelijke streken nemen de aantallen toe. Zachte winters doen de smienten meer noordelijk overwinteren. (bron: sovon.nl)


Niet favoriet

Tilburg en omgeving is geen geliefde omgeving van smienten. Ze prefereren uitgestrekte gebieden met natte graslanden, doorsneden met watergangen en sloten. In grote aantallen komen ze pas op tientallen kilometers noordelijk van Tilburg voor. De polders en uiterwaarden boven Waalwijk zijn meer favoriet. De landelijk aantallen zijn vanaf 1995 gestagneerd. Van 2004 tot 2014 zijn afnames in voor deze soort belangrijke gebieden in het midden en noorden van Nederland aangetoond. De afnames volgen grotendeels de internationaal dalende trends. Het is waarschijnlijk niet echt vergelijkbaar, maar deze trend is ook in de Dongevallei waargenomen. De aantallen zijn er in ieder geval erg laag, hoger dan 27 exemplaren komt de teller niet. De meeste smienten zijn in het eerste deel van de tellingenreeks aangetroffen. Het gaat om lage aantallen - tussen 1 en 5 exemplaren - in het najaar van 2005 en 2007.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




zondag 16 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Carolina-eend

 

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen



Een paar Carolina-eenden in het meest zuidelijke deel van de Dongevallei.



Carolina-eend
Aix sponsa



De Carolina-eend is nauw verwant aan de mandarijneend; beide zijn afkomstig uit het geslacht Aix. De biotoop komt ook nauw overeen. Bossen en bomen in waterrijke gebieden hebben bij beide de voorkeur. Wat hun herkomst betreft, zijn het echter tegenpolen. De Carolina-eend is van oorsprong thuis in Noord-Amerika en de mandarijneend in Azië.


Om de vrouwelijke Carolina-eend van de vrouwelijke mandarijneend te onderscheiden moet je goed kijken. Beide zijn prachtig en ze lijken veel op elkaar. Het wit om het oog van de Carolina-eend is groter en loopt meer in een punt uit naar achteren. De ondergrond van de wit gespikkelde borst en flanken is bruiner dan bij de mandarijneend. Het mannetje Carolina-eend is net als het mannetje mandarijneend fraai en kleurrijk bevederd. De grote oranje vlakken van de mandarijneend ontbreken echter bij hem. De bovenzijde heeft meer blauwe en groene tinten. Opvallend zijn de witte lijnen en vlakken. De roodomrande rode ogen hebben een zwarte pupil en zijn bijzonder. Ze vallen op binnen een redelijke afstand. De Carolina-eend is wat vaker waargenomen in de Dongevallei dan de mandarijneend. Tijdens de eerste helft van de tellingenreeks veertien keer: in 2005 (2x), in 2006 (5x), in 2009 (3x), in 2010 (2x) en in 2011 (2x). Driemaal is een paar aangetroffen: in oktober 2005, in februari 2006 en in september 2011. Enkele malen is één exemplaar in twee of drie opeenvolgende tellingen waargenomen. In oktober en november 2006 ging het om één man (3x). In 2009 en 2010 ging het om één vrouw (3x en 2x).



Een vrouwelijke Carolina-eend.



De Carolina-eend is tijdens de eerste atlasperiode (1973-1977) niet in ons land waargenomen. In de jaren tachtig en begin jaren negentig was zijn aanwezigheid onregelmatig. In de tweede atlasperiode (1998-2000) hebben er mogelijk 1 tot 5 paren gebroed. Ook in de periode dat de gegevens voor de Vogelatlas 2013-2015 zijn verzameld, is geen zekerheid gekomen: met de verzamelde gegevens - 1-5 broedparen en 20-40 wintervogels - kan niet worden vastgesteld dat de Carolina-eend zich definitief heeft gevestigd. Van een in het wild levende vestiging in Nederland en een groeiende broedpopulatie is vooralsnog geen sprake. De jonge Carolina-eend is tamelijk laag van gewicht als hij uit het ei komt. Ook heeft hij wel 10 weken nodig om op te groeien. Deze twee factoren spelen een rol in de definitieve vestiging van de Carolina-eend. (bron: sovon.nl)



Een mannelijke Carolina-eend.




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




zaterdag 15 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Mandarijneend

 



   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen

                                          

 Een paar mandarijneenden.


Mandarijneend
Aix galericulata


Veelkleurige schoonheid

De mandarijneend is de meest kleurrijke eend die in ons land voorkomt. Het mannetje mandarijneend is prachtig met zijn vele fraai gekleurde sierveren. De kop is opvallend gevormd en lijkt op een helm. Een brede, lichte wenkbrauwstreep loopt tot een punt uit in de hals. Blauwe, groene en rode vlakken sieren de kop en de hals. De hals is bedekt met fraai gevormde roze veren, als een grote baard. De borst is paarsbruin en de vleugels zijn zacht bruin met een witte rand en zwarte zoom. De buik en het kontje zijn wit. De staart is olijfbruin en spits toelopend. Nog meer opvallend zijn de helder oranje vlaggen op de vleugels. Hij zet ze op bij opwinding en tijdens de balts. Het verenkleed van het vrouwtje is weliswaar minder kleurig, maar zeker niet minder fraai. Vele groene, bruine en witte details benadrukken haar schoonheid.


Geleidelijke toename

De mandarijneend komt van oorsprong voor in Oost-Siberië, China en Japan. In 1745 is de soort in West-Europa ingevoerd als siervogel. Al in de 19e eeuw is in Engeland een flinke, in het wild levende, populatie mandarijneenden ontstaan. Nu zijn er 2.300 broedparen. Ontsnapte mandarijneenden en hun nazaten broeden in Nederland vanaf 1968. Het aantal stijgt van een tiental broedparen rond 1980 naar rond 250 in het jaar 2000 en de toename zet zich door. De soort concentreert zich vooral in het midden van het land in bosrijke omgevingen. Limburg en Brabant worden ook steeds dichter bezet. Naar het noorden nemen de dichtheden af en ze ontbreken helemaal op de Waddeneilanden. Zeeland is schaars bezet. De populatie bestaat in het tijdvak 2013-2015 uit 300-400 broedparen en 600-1200 wintervogels. (bron: sovon.nl) Hieruit blijkt dat de soort maar heel geleidelijk toeneemt.

 

                  
Een  mannelijke mandarijneend in eclipskleed.


Meer mandarijneenden in de buurt

In en rondom Tilburg is de mandarijneend de laatste jaren zichtbaar in aantal toegenomen. Uit het recente verleden zijn broedgevallen of pogingen daartoe bekend in o.a. het Quirijnstokpark en het Noorderbos. In de Dongevallei is daar tot nu toe geen sprake van. De Dongevallei was en is meer open dan de voornoemde gebieden. De mandarijneend is van oorsprong een bosbewoner. Hij broedt in holen in bomen. Nestkasten en oude nesten zijn ook goed, blijkt uit de literatuur. Een deel van de bomen in de Dongevallei blijft staan en neemt in lengte en volume toe. Dit biedt in de toekomst mogelijkheden voor de mandarijneend. Ook meerdere andere vogelsoorten gaan daar waarschijnlijk van profiteren. De waarnemingen van de mandarijneend in de Dongevallei zijn beperkt, vier in totaal. Op 14 september 2008 zijn een vrouwelijk en een jong exemplaar samen waargenomen. In zowel het voorjaar als in het najaar van 2010 is een mannetje gezien.



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


Een mannelijke mandarijneend in zijn kleurrijk verenkleed.



vrijdag 14 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Bergeend

 



   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Bergeend
Tadorna tadorna



Man en vrouw met hetzelfde verenkleed

De bergeend is forser dan alle andere eenden, met bijna gansachtige afmetingen. Beide geslachten hebben een gelijk verenkleed, zeer opvallend met wit, bruin en zwart. Het mannetje heeft een flinke knobbel op de rode snavel. De bergeend is een holenbroeder. Hij broedt vaak in oude konijnenholen of in andere holtes en spleten, soms onder oude gebouwen en schuurtjes. Hij broedt steeds meer in het binnenland in allerlei natuurgebieden en zanderige omgevingen. De kuststreek raakt minder in trek door het ontbreken van konijnen(holen) en de opmars van vossen.


Voldoende nestgelegenheid

De bergeend is niet zomaar een toevallige gast in de Dongevallei. In totaal zijn 20 bergeenden tijdens 6 verschillende jaren van de tellingenreeks waargenomen. Steeds in het voorjaar op of in de buurt van de plas aan de Reuverlaan. Soms een paar (7x) en soms een solitair exemplaar (6x), waarbij het waarschijnlijk is dat de partner ook in de buurt was. In twee teljaren lijken ze interesse te hebben om in de Dongevallei te broeden. In het voorjaar van 2015 is de soort 3 keer aangetroffen en 5 keer in 2016. Helaas zijn ze beide keren plotseling weer verdwenen. De tientallen meters lange kunstmatige oeverzwaluwwand is aan de achterzijde zanderig met veel konijnenpijpen. Ook elders in het gebied zijn talrijke broedgelegenheden voor deze soort. Over de periode 2013-2105 zijn in Nederland 5.700-9.400 broedparen bekend en de winteraantallen liggen van 79.000 tot 96.000. (bron: sovon.nl)




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




donderdag 13 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Indische gans

 



   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen





Indische gans
Anser indicus



Strepengans

De Indische gans is een opvallende verschijning. Hij is dan ook niet te missen als er op 19 december 2017 de eerste keer één verschijnt in de Dongevallei. Hij dobbert tussen tientallen grote Canadese ganzen op de plas aan de Reuverlaan. Kort daarop volgen nog waarnemingen van één exemplaar op 6 februari en één op 7 maart 2018. Verder is de soort niet aangetroffen in de Dongevallei. De kop van de Indische gans is vrij licht met 2 donkere dwarsstrepen; hij wordt daarom ook wel strepengans genoemd. Ook in de lengte is de hals is wit gestreept. Het lijf is lichtgrijs met hetzelfde patroon als de grauwe gans. Hij behoort dan ook tot hetzelfde genus: Anser.



Geen explosieve uitbreiding

Van de oostzijde van Tilburg, de omgeving van Safaripark Beekse Bergen en ook van de Oostplas bij Goirle zijn waarnemingen bekend van een groep van ruim 50 vrij rondvliegende Indische ganzen. Ze worden echter nooit noordelijk of westelijk van Tilburg gezien. De Indische gans is een exoot. Hij broedt van oorsprong in het Himalaya-gebergte en verblijft een groot deel van het jaar in het noorden van India. In Nederland is het een ontsnapte, vrij rond vliegende kooivogel. Hij broedt sinds 1977 in ons land. Het gaat echter om veel kleinere aantallen dan de zich explosief uitbreidende soorten als nijlgans en grote Canadese gans. Wat betreft de Indische ganzen hebben we het over 50-90 broedparen en de winteraantallen bedragen 250-400. (bron: sovon.nl)




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




woensdag 12 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Nijlgans

 


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




                       



Nijlgans

Alopochen aegyptiaca - broedvogel



Geen eend, geen gans

De nijlgans is ingedeeld in de orde van de eendachtigen (Anseriformes). Daaronder vallen alle zwanen, ganzen en eenden. De nijlgans staat hoog op de poten en lijkt uiterlijk niet echt op een gans, maar ook niet op een eend. De nijlgans heeft geen nauwe verwanten. Hij valt, met enkele andere families, een beetje tussen de eend en de gans in, zoals ook bijvoorbeeld de bergeend (Tadorna tadorna) en de casarca (Tadorna ferruginea). De laatste twee soorten zijn wel verwant aan elkaar; ze zijn van het zelfde geslacht. De houding van de nijlgans is opgericht en het verenkleed is vooral beige en wat roodachtig bruin. Opvallende kenmerken zijn de zwarte buikvlek en het donkere masker om de ogen. In de vlucht steken de groene spiegel en de grote witte velden sterk af op de verder donkere vleugels. De poten en de snavel zijn roze. De nijlgans is, evenals de grote Canadese gans, dominant en luidruchtig aanwezig. Beide soorten gedragen zich in het broedseizoen agressief tegenover andere vogelsoorten. 

Nijlganzen zijn gewoonlijk standvogels en trekken niet weg. Maar soms verplaatsen ze zich tot op enkele honderden kilometers van het broedgebied of de plaats waar ze geboren zijn. De aard van de nestlocatie van de nijlgans kan zeer uiteenlopen. Een enkele keer broedt hij op de bodem in dichte vegetatie, onder een struik bijvoorbeeld. Hij broedt soms op gebouwen, gebruikt boomholtes, of kaapt het nest van een roofvogel, blauwe reiger of ooievaar. Ook wat grotere nestkasten neemt hij zonder meer in beslag. Weidegebieden met veel sloten en andere waterrijke gebieden hebben de voorkeur als biotoop. Stedelijke omgevingen, in het bijzonder stadsparken, komen echter steeds meer in beeld. De nijlgans broedt dus gewoonlijk in de buurt van water maar soms ook op grote afstand daarvan. Het voedsel is meestal plantaardig: grassen, kruiden, zaden en oogstresten.


Vosgans

Een andere naam voor de nijlgans is vosgans, naar de kleur van de vogel: roodbruin - de kleur van een vos. Het is eigenlijk een vertaling van de genusnaam, Alopochen: alópex = vos, chen = gans. De oude Egyptenaren vereerden hem als een heilig dier en schilderden of tekenden de vogel vaak op beelden en muren. De nijlgans broedt van oorsprong in Afrika, bijvoorbeeld in het Nijldal ten zuiden van de Sahara. De oude Egyptenaren, de Romeinen en de Grieken hielden nijlganzen al in gevangenschap. Sinds de 17e eeuw wordt de soort veelvuldig als siervogel in West-Europa gehouden. In Engeland broeden al 150 jaar nijlganzen in het wild. Na ontsnappingen vanaf 1967 heeft zich ook in Nederland, vanuit Zuid-Holland, een vrij vliegende populatie nijlganzen ontwikkeld. Het westen van Nederland en de riviergebieden zijn de kerngebieden. Inmiddels komen ze in heel Nederland voor en broeden ze nagenoeg overal. De populatie is in 2000 geschat op ruim 4.900 broedparen. Over de periode 2013-2015 is het aantal broedparen gestegen tot 6.900-11.400. Voor de winterperiode geeft de Vogelatlas 32.000-45.000 exemplaren aan. (bron: sovon.nl)




    Figuur 24: alle waarnemingen (632) van nijlganzen per jaar met het totaal boven de kolom.



Van zwervers naar een vaste populatie

Na een begin met lage aantallen laten enkele jaren in de eerste helft van de tellingenreeks flinke uitschieters zien. Zie de grafiek in figuur 24. De hoge aantallen worden veroorzaakt door de aanwezigheid van groepen van meer dan 10 nijlganzen tijdens één telling, zoals een rondzwervende familiegroep van 11 stuks in 2008. Aan het einde van het broedseizoen van 2010 strijken plotseling 17 nijlganzen neer in een van de noordelijke teldelen. In 2011, op 30 oktober, sta ik ineens oog in oog met 24 nijlganzen die snel weer opvliegen. Tot zover worden de aantallen vooral bepaald door kort verblijvende groepen op zoek naar voedsel of een rustplaats. In 2012 zijn de aantallen gedaald tot op het niveau van het eerste jaar, met hooguit 2 nijlganzen per telling. Dit is het begin van een vrij snel stijgende trend. De nijlgans is in de verschillende jaren geleidelijk meer en meer te zien. Vanaf 2016 is de nijlgans tijdens nagenoeg alle tellingen per jaar aanwezig in de Dongevallei.



                       


Verjaagt soortgenoten in het broedseizoen

De nijlgans jaagt soortgenoten weg uit zijn territorium. In sommige jaren worden in de Dongevallei tijdens het broedseizoen felle schermutselingen tussen paren nijlganzen waargenomen. Die gaan gepaard met rauwe kreten en spelen zich vaak af in de lucht. In sterk contrast daarmee groeperen ze vanaf de nazomer en in de winter in aantallen van meer dan 100 exemplaren bij elkaar. In de Dongevallei is dat nooit waargenomen. Slecht achtmaal zijn meer dan 10 nijlganzen tegelijk aangetroffen met een maximum van 24.


   
Figuur 25: alle vastgestelde territoria (11) van  nijlganzen per jaar met het totaal boven de kolom.


Weinig jongen gezien

De jaren waarin één of meer territoria zijn vastgesteld, zijn zichtbaar gemaakt in figuur 25. De meeste territoria zijn vastgesteld door voldoende waarnemingen van een of meerdere paren nijlganzen binnen de voor deze soort geldende datumgrenzen (15 maart – 15 mei). Alleen de laatste twee teljaren van deze reeks zijn donsjongen gezien. In 2018 waren dat 11 en in 2019 7 & 8 juist uitgekomen jonge nijlganzen.







Reacties naar adkolen@kpnmail.nl




dinsdag 11 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Roodhalsgans

 

 

   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen



                       

Roodhalsgans in de Dongevallei.


Roodhalsgans

Branta ruficollis



De roodhalsgans dankt zijn naam aan de opvallende roodbruine hals en gelijk gekleurde borst. Verder zijn de bovendelen grotendeels zwart met aan beide zijden een witte flankstreep. De kop, weliswaar klein, is kenmerkend getekend met witte vlekken en lijnen. Het formaat is ongeveer gelijk aan dat van de rotgans met een iets kortere dikke hals. De roodhalsgans behoort tot het geslacht Branta, ook wel ’zwarte’ gans genaamd, naast de ’grauwe’ gans (Anser). Tot het geslacht (genus) Branta behoren bekende soorten als rotgans (Branta bernicla), grote Canadese gans (Branta canadensis) en brandgans (Branta leucopsis).

Op zondag 6 april 2014 is door mij onverwacht een roodhalsgans aangetroffen in het meest noordelijke deel van de Dongevallei. De vogel is schuw en vliegt al snel het gebied uit in gezelschap van een grauwe gans en een grote Canadese gans. De roodhalsgans draagt geen ring of andere kenmerken die wijzen op een escape (ontsnapte kooivogel). Zijn vliegvermogen is goed ontwikkeld.

De roodhalsgans broedt mogelijk af en toe in Nederland, maar zekere broedgevallen zijn nooit vastgesteld. Waarnemingen in het broedseizoen zijn meestal van ontsnapte vogels. Jaarrond in hetzelfde gebied verblijvende roodhalsganzen zijn vermoedelijk ook niet van wilde herkomst. Van oktober tot mei verblijven individuen en kleine familiegroepjes van deze fraaie ganzensoort tussen andere soorten ganzen, gewoonlijk op plaatsen waar vaak ganzen pleisteren. Dat zijn vaak brandganzen, kolganzen en lokaal ook rotganzen. De broedgebieden van roodhalsganzen bevinden zich op de Arctische toendra van Rusland. (bron: sovon.nl)



Reacties naar adkolen@kpnmail.nl


maandag 10 mei 2021

De Vogels van de Dongevallei 2004-2019 Brandgans

  


   Een serie over het 'Verslag: De Vogels van de Dongevallei 2004-2019'

De Dongevallei is van 1996 tot 2000 als ecologische verbindingszone door het nieuwe stadsdeel De Reeshof aan de westelijke rand van Tilburg aangelegd. Van 2004 tot 2019 zijn tweemaal per maand, het gehele jaar door, alle vogels geteld binnen de grenzen van de Dongevallei. Tijdens het broedseizoen, van half maart tot half juli, zijn steeds acht tellingen uitgevoerd volgens de richtlijnen van het BMP van SOVON. Naast algemene informatie betreffende het gebied en de wijze van tellen zijn alle 125 waargenomen vogelsoorten in dit verslag beschreven. Het verloop van de aanwezigheid van de verschillende vogelsoorten is in grafieken uitgebeeld en komt in afzonderlijke artikelen aan bod, vaak uitvoerig. Zo veel mogelijk zijn conclusies getrokken en oorzaken achterhaald van het verloop van de aantallen van de diverse vogels. Soms zijn de oorzaken lokaal, maar veelal spelen de landelijke en Europese stand van veel vogelsoorten een belangrijke rol. 

Het volledige verslag, in PDF-formaat is te ontvangen door een e-mail te sturen naar adkolen@kpnmail.nl 


Ad Kolen




Brandgans
Branta leucopsis



De brandgans is een ’zwarte gans’ uit het geslacht Branta en is verwant aan de rotgans (Branta bernicla) en de verschillende Canadese ganzen. Ook de roodhalsgans (Branta ruficollis) behoort tot dit geslacht. De brandgans is beduidend kleiner dan de grote Canadese gans maar iets groter dan de rotgans. De combinatie van zwarte, witte en grijze veren maakt hem op flinke afstand herkenbaar. De korte stompe snavel en de vrij korte poten zijn ook grijs. Bijzondere kenmerken zijn de witte band op de staart het roomwitte ’gezicht’ op de verder zwarte kop en hals.


De brandgans is van oorsprong een Arctische broedvogel, die onder andere in Nederland de winter doorbrengt. Rond 1955 vreesde men nog voor het uitsterven van deze bijzondere wintergast. Na 1970 breidden de bekende broedpopulaties in Groenland, Spitsbergen en Nova Zembla zich uit en namen de aantallen toe. Na de uitbreiding van het broedgebied naar Rusland en o.a. het Oostzeegebied (1971) werden de landen aan de Noordzee als broedgebieden bezet: Nederland vanaf 1982 en Noord-Duitsland vanaf 1990. Soms betrof het ontsnapte of achtergebleven aangeschoten vogels. De originele herkomst is niet altijd bekend. Vanuit de algehele uitbreiding van de trekroutes van brandganzen is de herkomst van nu in Nederland broedende paren deels te herleiden naar wilde populaties. (bron: sovon.nl)


Ondanks de enorme uitbreiding van de brandgans als soort is hij slechts een beperkt aantal keren waargenomen in de Dongevallei: 15 exemplaren tijdens zes teljaren - in 2004 (2), 2012 (4), 2014 (2), 2015 (1), 2016 (5) en 2018 (1). Het gaat steeds om een solitair exemplaar dat zich eenmalig of korte tijd bij andere soorten ganzen voegt. Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw verbleven 60.000 brandganzen in Nederland. Tijdens het verzamelen van gegevens voor de Vogelatlas, van 2013 tot 2015 zijn de aantallen gestegen naar 78.000-820.0000 overwinteraars. Het aantal broedparen was in 2001 gestegen naar 830 broedparen. De Vogelatlas geeft 16.000-22.000 broedparen. (bron: sovon.nl)




Reacties naar adkolen@kpnmail.nl